Home Introduction Persons Geogr. Sources Events Mijn blog(Nederlands)
Religion Subjects Images Queries Links Contact Do not fly Iberia
This is a non-commercial site. Any revenues from Google ads are used to improve the site.

Custom Search
Quote of the day: Then for the first time she understood h
Notes
Display Vulgate text
Display Statenvertaling
The New Testament

Letter to the Hebrews Chapter 12
Next chapter
Return to index
Previous chapter
1 Wherefore seeing we also are compassed about with so great a cloud of witnesses, let us lay aside every weight, and the sin which doth so easily beset us, and let us run with patience the race that is set before us,
2 Looking unto Jesus the author and finisher of our faith; who for the joy that was set before him endured the cross, despising the shame, and is set down at the right hand of the throne of God.
3 For consider him that endured such contradiction of sinners against himself, lest ye be wearied and faint in your minds.
4 Ye have not yet resisted unto blood, striving against sin.
5 And ye have forgotten the exhortation which speaketh unto you as unto children, My son, despise not thou the chastening of the Lord, nor faint when thou art rebuked of him:
6 For whom the Lord loveth he chasteneth, and scourgeth every son whom he receiveth.
7 If ye endure chastening, God dealeth with you as with sons for what son is he whom the father chasteneth not?
8 But if ye be without chastisement, whereof all are partakers, then are ye bastards, and not sons.
9 Furthermore we have had fathers of our flesh which corrected us, and we gave them reverence: shall we not much rather be in subjection unto the Father of spirits, and live?
10 For they verily for a few days chastened us after their own pleasure; but he for our profit, that we might be partakers of his holiness.
11 Now no chastening for the present seemeth to be joyous, but grievous: nevertheless afterward it yieldeth the peaceable fruit of righteousness unto them which are exercised thereby.
12 Wherefore lift up the hands which hang down, and the feeble knees;
13 And make straight paths for your feet, lest that which is lame be turned out of the way; but let it rather be healed.
14 Follow peace with all men, and holiness, without which no man shall see the Lord:
15 Looking diligently lest any man fail of the grace of God; lest any root of bitterness springing up trouble you, and thereby many be defiled;
16 Lest there be any fornicator, or profane person, as Esau, who for one morsel of meat sold his birthright.
17 For ye know how that afterward, when he would have inherited the blessing, he was rejected: for he found no place of repentance, though he sought it carefully with tears.
18 For ye are not come unto the mount that might be touched, and that burned with fire, nor unto blackness, and darkness, and tempest,
19 And the sound of a trumpet, and the voice of words; which voice they that heard intreated that the word should not be spoken to them any more:
20 (For they could not endure that which was commanded, And if so much as a beast touch the mountain, it shall be stoned, or thrust through with a dart:
21 And so terrible was the sight, that Moses said, I exceedingly fear and quake:)
22 But ye are come unto mount Sion, and unto the city of the living God, the heavenly Jerusalem, and to an innumerable company of angels,
23 To the general assembly and Church of the firstborn, which are written in heaven, and to God the Judge of all, and to the spirits of just men made perfect,
24 And to Jesus the mediator of the new covenant, and to the blood of sprinkling, that speaketh better things that that of Abel.
25 See that ye refuse not him that speaketh. For if they escaped not who refused him that spake on earth, much more shall not we escape, if we turn away from him that speaketh from heaven:
26 Whose voice then shook the earth: but now he hath promised, saying, Yet once more I shake not the earth only, but also heaven.
27 And this word, Yet once more, signifieth the removing of those things that are shaken, as of things that are made, that those things which cannot be shaken may remain.
28 Wherefore we receiving a kingdom which cannot be moved, let us have grace, whereby we may serve God acceptably with reverence and godly fear:
29 For our God is a consuming fire.

Hebrëen 12

1Daarom dan ook, alzo wij zo groot een wolk der getuigen1) rondom ons hebben liggende,2) laat ons afleggen allen last,3) en de zonde,4) die ons lichtelijk omringt,5) en laat ons met lijdzaamheid lopen6) de loopbaan,7) die ons voorgesteld is;
2Ziende op den oversten Leidsman en Voleinder des geloofs, Jezus, Dewelke, voor de vreugde,9) die Hem voorgesteld was, het kruis heeft verdragen, en schande veracht,10) en is gezeten aan de rechter hand des troons van God.
3Want aanmerkt Dezen, Die zodanig12) een tegenspreken13) van de zondaren tegen Zich14) heeft verdragen, opdat gij niet verflauwt en bezwijkt15) in uw zielen.16)
4Gij hebt nog tot den bloede toe niet tegengestaan,17) strijdende tegen de zonde;18)
5En gij hebt vergeten19) de vermaning,20) die tot u als tot zonen spreekt: Mijn zoon, acht niet klein de kastijding des Heeren,21) en bezwijkt niet, als gij van Hem bestraft wordt;22)
6Want dien de Heere liefheeft, kastijdt Hij, en Hij geselt een iegelijken zoon, die Hij aanneemt.23)
7Indien gij de kastijding verdraagt,24) zo gedraagt Zich God25) jegens u als zonen;26) (want wat zoon is er, dien de vader niet kastijdt?)
8Maar indien gij zonder kastijding zijt, welke allen deelachtig zijn geworden, zo zijt gij dan bastaarden, en niet zonen.
9Voorts, wij hebben de vaders onzes vleses wel tot kastijders gehad,28) en wij ontzagen hen; zullen wij dan niet veel meer den Vader der geesten29) onderworpen zijn, en leven?
10Want genen hebben ons wel voor een korten tijd,30) naar dat het hun goed dacht, gekastijd; maar Deze kastijdt ons tot ons nut, opdat wij Zijner heiligheid31) zouden deelachtig worden.
11En alle kastijding als die tegenwoordig is, schijnt geen zaak van vreugde, maar van droefheid te zijn; doch daarna geeft zij van zich een vreedzame vrucht32) der gerechtigheid dengenen, die door dezelve geoefend zijn.33)
12Daarom richt weder op34) de trage handen, en de slappe knieen;
13En maakt rechte paden voor uw voeten,35) opdat hetgeen kreupel is, niet verdraaid worde,36) maar dat het veelmeer genezen worde.
14Jaagt den vrede na met allen,37) en de heiligmaking, zonder welke niemand38) den Heere zien zal;39)
15Toeziende, dat niet iemand verachtere van de genade Gods;40) dat niet enige wortel der bitterheid,41) opwaarts spruitende, beroerte make 42)en door dezelve velen ontreinigd worden.43)
16Dat niet iemand zij een hoereerder, of een onheilige44), gelijk Ezau, die om een spijze het recht van zijn eerstgeboorte weggaf.45)
17Want gij weet, dat hij ook daarna, de zegening willende beerven, verworpen werd;46) want hij vond geen plaats des berouws,47) hoewel hij dezelve met tranen zocht.48)
18Want gij zijt niet gekomen49) tot den tastelijken berg, en het brandende vuur, en donkerheid, en duisternis, en onweder,
19En tot het geklank der bazuin, en de stem der woorden;51) welke die ze hoorden, baden, dat het woord tot hen niet meer zou gedaan worden.
20(Want zij konden niet dragen, hetgeen er geboden werd: Indien ook een gedierte den berg aanraakt,53) het zal gestenigd of met een pijl doorschoten worden.
21En Mozes,54) zo vreselijk was het gezicht, zeide: Ik ben gans bevreesd en bevende).
22Maar gij zijt gekomen tot den berg Sion,55) en de stad des levenden Gods, tot het hemelse Jeruzalem, en de vele duizenden der engelen;56)
23Tot de algemene vergadering en de Gemeente der eerstgeborenen,57) die in de hemelen opgeschreven zijn,58) en tot God, den Rechter over allen, en de geesten der59) volmaakte rechtvaardigen;60)
24En tot den Middelaar61) des nieuwen testaments, Jezus, en het bloed der besprenging,62) dat betere dingen spreekt dan Abel.63)
25Ziet toe, dat gij Dien, Die spreekt,64) niet verwerpt; want indien dezen niet zijn ontvloden,65) die dengene verwierpen, welke op aarde Goddelijke66) antwoorden gaf, veelmeer zullen wij niet ontvlieden, zo wij ons van Dien afkeren, Die van de hemelen is;67)
26Wiens stem toen68) de aarde bewoog;69) maar nu heeft Hij70) verkondigd,71) zeggende: Nog eenmaal zal Ik bewegen niet alleen de aarde,72) maar ook den hemel.
27En dit woord: Nog eenmaal, wijst aan de verandering der bewegelijke dingen,73) als welke gemaakt waren,74) opdat blijven zouden de dingen,75) die niet bewegelijk zijn.76)
28Daarom, alzo wij een onbewegelijk Koninkrijk ontvangen,77) laat ons de genade vast houden, door dewelke wij welbehagelijk Gode mogen dienen,79) met eerbied en godvruchtigheid.80)
29Want onze God is een verterend vuur.81)