Home Introduction Persons Geogr. Sources Events Mijn blog(Nederlands)
Religion Subjects Images Queries Links Contact Do not fly Iberia
This is a non-commercial site. Any revenues from Google ads are used to improve the site.

Custom Search
Quote of the day: There was a story that Vespasian was ins
Notes
Display Vulgate text
Display Statenvertaling
The New Testament

Letter of James Chapter 1
Next chapter
Return to index
Previous chapter
1 James, a servant of God and of the Lord Jesus Christ, to the twelve tribes which are scattered abroad, greeting.
2 My brethren, count it all joy when ye fall into divers temptations;
3 Knowing this, that the trying of your faith worketh patience.
4 But let patience have her perfect work, that ye may be perfect and entire, wanting nothing.
5 If any of you lack wisdom, let him ask of God, that giveth to all men liberally, and upbraideth not; and it shall be given him.
6 But let him ask in faith, nothing wavering. For he that wavereth is like a wave of the sea driven with the wind and tossed.
7 For let not that man think that he shall receive any thing of the Lord.
8 A double minded man is unstable in all his ways.
9 Let the brother of low degree rejoice in that he is exalted:
10 But the rich, in that he is made low: because as the flower of the grass he shall pass away.
11 For the sun is no sooner risen with a burning heat, but it withereth the grass, and the flower thereof falleth, and the grace of the fashion of it perisheth: so also shall the rich man fade away in his ways.
12 Blessed is the man that endureth temptation: for when he is tried, he shall receive the crown of life, which the Lord hath promised to them that love him.
13 Let no man say when he is tempted, I am tempted of God: for God cannot be tempted with evil, neither tempteth he any man:
14 But every man is tempted, when he is drawn away of his own lust, and enticed.
15 Then when lust hath conceived, it bringeth forth sin: and sin, when it is finished, bringeth forth death.
16 Do not err, my beloved brethren.
17 Every good gift and every perfect gift is from above, and cometh down from the Father of lights, with whom is no variableness, neither shadow of turning.
18 Of his own will begat he us with the word of truth, that we should be a kind of firstfruits of his creatures.
19 Wherefore, my beloved brethren, let every man be swift to hear, slow to speak, slow to wrath:
20 For the wrath of man worketh not the righteousness of God.
21 Wherefore lay apart all filthiness and superfluity of naughtiness, and receive with meekness the engrafted word, which is able to save your souls.
22 But be ye doers of the word, and not hearers only, deceiving your own selves.
23 For if any be a hearer of the word, and not a doer, he is like unto a man beholding his natural face in a glass:
24 For he beholdeth himself, and goeth his way, and straightway forgetteth what manner of man he was.
25 But whoso looketh into the perfect law of liberty, and continueth therein, he being not a forgetful hearer, but a doer of the work, this man shall be blessed in his deed.
26 If any man among you seem to be religious, and bridleth not his tongue, but deceiveth his own heart, this man's religion is vain.
27 Pure religion and undefiled before God and the Father is this, To visit the fatherless and widows in their affliction, and to keep himself unspotted from the world.

Jakobus 1

1Jakobus, een dienstknecht van God2)1) en van den Heere Jezus Christus; aan de twaalf stammen,3) die in de verstrooiing zijn:4) zaligheid.5)
2Acht het voor grote vreugde, mijn6) broeders, wanneer gij in velerlei verzoekingen7) valt;8)
3Wetende, dat9) de beproeving uws geloofs10) lijdzaamheid werkt.11)
4Doch de lijdzaamheid hebbe een volmaakt werk,12) opdat gij moogt volmaakt zijn en13) geheel oprecht,14) in geen ding15) gebrekkelijk.16)
5En indien iemand van17) u wijsheid ontbreekt,18) dat hij ze van God begere, Die een iegelijk19) mildelijk geeft,20) en niet verwijt;21) en zij zal hem gegeven worden.22)
6Maar dat hij ze begere in geloof,23) niet twijfelende;24) want die twijfelt, is een baar der zee gelijk, die van den wind gedreven en op en nedergeworpen wordt.
7Want die mens mene niet,25) dat hij iets ontvangen zal van den Heere.
8Een dubbelhartig man26) is27) ongestadig28) in al zijn wegen.29)
9Maar de broeder, die nederig is,30) roeme in zijn31) hoogheid.32)
10En de rijke33) in zijn vernedering;34) want hij zal als een bloem35) van het gras voorbijgaan.
11Want de zon is opgegaan36) met de hitte, en heeft het gras dor gemaakt, en zijn bloem is afgevallen, en de schone gedaante haars aanschijns is vergaan; alzo zal ook de rijke37) in zijn wegen38) verwelken.39)
12Zalig is de man, die verzoeking40) verdraagt; want als41) hij beproefd zal geweest42) zijn, zal hij de kroon des levens43) ontvangen, welke44) de Heere beloofd heeft dengenen, die Hem liefhebben.45)
13Niemand, als hij verzocht wordt,46) zegge: Ik word van47) God verzocht; want God kan niet verzocht worden48) met het kwade, en Hij Zelf verzoekt niemand.49)
14Maar een iegelijk wordt verzocht,50) als hij van zijn eigen51) begeerlijkheid afgetrokken en52) verlokt wordt.53)
15Daarna de begeerlijkheid ontvangen hebbende54) baart57) zonde;55) en de zonde voleindigd zijnde56) baart den dood.58)
16Dwaalt niet,59) mijn geliefde broeders!
17Alle goede gave, en alle volmaakte gifte60) is van boven,61) van den Vader der lichten62) afkomende, bij Welken geen verandering is,63) of schaduw van omkering.65)64)
18Naar Zijn wil heeft66) Hij ons gebaard67) door het Woord68) der waarheid, opdat wij zouden zijn als eerstelingen69) Zijner schepselen.70)
19Zo dan, mijn geliefde broeders, een iegelijk mens zij ras om te horen,71) traag om te spreken,72) traag tot toorn;
20Want de toorn des mans werkt Gods73) gerechtigheid niet.
21Daarom, afgelegd hebbende74) alle vuiligheid en75) overvloed van boosheid,76) ontvangt met zachtmoedigheid77) het Woord,78) dat in u geplant wordt,79) hetwelk uw zielen kan zaligmaken.80)
22En zijt daders des Woords,81) en niet alleen hoorders, uzelven met valse overlegging82) bedriegende.
23Want zo iemand een hoorder is des Woords, en niet een dader, die is een man gelijk, welke zijn aangeboren aangezicht83) bemerkt in een spiegel;84)
24Want hij heeft zichzelven bemerkt, en is weggegaan, en heeft terstond vergeten, hoedanig hij was.
25Maar die inziet85) in de volmaakte wet,86) die der vrijheid87) is, en daarbij blijft,88) deze, geen vergetelijk hoorder geworden zijnde, maar een dader des werks, deze, zeg ik, zal gelukzalig zijn in dit zijn doen.89)
26Indien iemand onder u dunkt, dat hij godsdienstig90) is, en hij zijn tong niet in toom houdt,91) maar zijn hart verleidt,92) dezes godsdienst is ijdel.93)
27De zuivere en onbevlekte godsdienst voor God en den Vader is deze: wezen en weduwen bezoeken in hun verdrukking, en zichzelven onbesmet bewaren van de wereld.