Home Introduction Persons Geogr. Sources Events Mijn blog(Nederlands)
Religion Subjects Images Queries Links Contact Do not fly Iberia
This is a non-commercial site. Any revenues from Google ads are used to improve the site.

Custom Search
Quote of the day: He was brave in battle, ready of speech,
Notes
Display Vulgate text
Display Statenvertaling
The New Testament

Gospel of Matthew Chapter 18.0
Next chapter
Return to index
Previous chapter
The greatest in the kingdom of heaven.

1 At the same time came the disciples unto Jesus, saying, Who is the greatest in the kingdom of heaven?
2 And Jesus called a little child unto him, and set him in the midst of them,
3 And said, Verily I say unto you, Except ye be converted, and become as little children, ye shall not enter into the kingdom of heaven.
4 Whosoever therefore shall humble himself as this little child, the same is greatest in the kingdom of heaven.
5 And whoso shall receive one such little child in my name receiveth me.
6 But whoso shall offend one of these little ones which believe in me, it were better for him that a millstone were hanged about his neck, and that he were drowned in the depth of the sea.
7 Woe unto the world because of offences! for it must needs be that offences come; but woe to that man by whom the offence cometh!
8 Wherefore if thy hand or thy foot offend thee, cut them off, and cast them from thee: it is better for thee to enter into life halt or maimed, rather than having two hands or two feet to be cast into everlasting fire.
9 And if thine eye offend thee, pluck it out, and cast it from thee: it is better for thee to enter into life with one eye, rather than having two eyes to be cast into hell fire.
10 Take heed that ye despise not one of these little ones; for I say unto you, That in heaven their angels do always behold the face of my Father which is in heaven.
11 For the Son of Man is come to save that which was lost.
12 How think ye? if a man have an hundred sheep, and one of them be gone astray, doth he not leave the ninety and nine, and goeth into the mountains, and seeketh that which is gone astray?
13 And if so be that he find it, verily I say unto you, he rejoiceth more of that sheep, than of the ninety and nine which went not astray.
14 Even so it is not the will of your Father which is in heaven, that one of these little ones should perish.
15 Moreover if thy brother shall trespass against thee, go and tell him his fault between thee and him alone: if he shall hear thee, thou hast gained thy brother.
16 But if he will not hear thee, then take with thee one or two more, that in the mouth of two or three witnesses every word may be established.
17 And if he shall neglect to hear them, tell it unto the Church: but if he neglect to hear the Church, let him be unto thee as an heathen man and a publican.
18 Verily I say unto you, Whatsoever ye shall bind on earth shall be bound in heaven: and whatsoever ye shall loose on earth shall be loosed in heaven.
19 Again I say unto you, That if two of you shall agree on earth as touching any thing that they shall ask, it shall be done for them of my Father which is in heaven.
20 For where two or three are gathered together in my name, there am I in the midst of them.

The parable of the ungrateful slave

21 Then came Peter to him, and said, Lord, how oft shall my brother sin against me, and I forgive him? till seven times?
22 Jesus saith unto him, I say not unto thee, Until seven times: but, Until seventy times seven.
23 Therefore is the kingdom of heaven likened unto a certain king, which would take account of his servants.
24 And when he had begun to reckon, one was brought unto him, which owed him ten thousand talents.
25 But forasmuch as he had not to pay, his lord commanded him to be sold, and his wife, and children, and all that he had, and payment to be made.
26 The servant therefore fell down, and worshipped him, saying, Lord, have patience with me, and I will pay thee all.
27 Then the lord of that servant was moved with compassion, and loosed him, and forgave him the debt.
28 But the same servant went out, and found one of his fellowservants, which owed him an hundred pence: and he laid hands on him, and took him by the throat, saying, Pay me that thou owest.
29 And his fellowservant fell down at his feet, and besought him, saying, Have patience with me, and I will pay thee all.
30 And he would not: but went and cast him into prison, till he should pay the debt.
31 So when his fellowservants saw what was done, they were very sorry, and came and told unto their lord all that was done.
32 Then his lord, after that he had called him, said unto him, O thou wicked servant, I forgave thee all that debt, because thou desiredst me:
33 Shouldest not thou also have had compassion on thy fellowservant, even as I had pity on thee?
34 And his lord was wroth, and delivered him to the tormentors, till he should pay all that was due unto him.
35 So likewise shall my heavenly Father do also unto you, if ye from your hearts forgive not every one his brother their trespasses.

Events: The parable of the lost sheep, The parable of the ungrateful slave

Matthëus 18

1Te dierzelfder ure1) kwamen de discipelen tot Jezus, zeggende: Wie is toch de meeste2) in het Koninkrijk der hemelen?
2En Jezus een kindeken tot Zich geroepen hebbende, stelde dat in het midden van hen;
3En zeide: Voorwaar zeg Ik u: Indien gij u niet verandert3), en wordt gelijk de kinderkens,4) zo zult gij in het Koninkrijk der hemelen geenszins ingaan.
4Zo wie dan zichzelven zal vernederen, gelijk dit kindeken, deze is de meeste in het Koninkrijk der hemelen.
5En zo wie zodanig een kindeken ontvangt in Mijn Naam,5) die ontvangt Mij.
6Maar zo wie een van deze kleinen, die in Mij geloven, ergert,6) het ware hem nutter, dat een molensteen aan zijn hals7) gehangen, en dat hij verzonken ware in de diepte der zee.
7Wee der wereld van de ergernissen, want het is noodzakelijk8), dat de ergernissen komen; doch wee dien mens, door welken de ergernis komt!
8Indien dan uw hand of uw voet9) u ergert, houwt ze af en werpt ze van u. Het is u beter, tot het leven in te gaan, kreupel of verminkt zijnde, dan twee handen of twee voeten hebbende, in het eeuwige vuur geworpen te worden.
9En indien uw oog u ergert, trekt het uit, en werpt het van u. Het is u beter, maar een oog hebbende, tot het leven in te gaan, dan twee ogen hebbende, in het helse vuur geworpen te worden.
10Ziet toe, dat gij niet een van deze kleinen veracht. Want Ik zeg ulieden, dat hun engelen,10) in de hemelen, altijd zien het aangezicht11) Mijns Vaders, Die in de hemelen is.
11Want de Zoon des mensen is gekomen om zalig te maken, dat verloren was.
12Wat dunkt u, indien enig mens honderd schapen had,12) en een uit dezelve afgedwaald ware, zal hij niet de negen en negentig laten, en op de bergen heengaande, het afgedwaalde zoeken?
13En indien het geschiedt, dat hij hetzelve vindt, voorwaar zeg Ik u, dat hij zich meer verblijdt over hetzelve, dan over de negen en negentig, die niet afgedwaald zijn geweest.
14Alzo is de wil niet uws Vaders,13) Die in de hemelen is, dat een van deze kleinen verloren ga.14)
15Maar indien uw broeder tegen u gezondigd heeft,15) ga heen en bestraf hem16) tussen u en hem alleen; indien hij u hoort, zo hebt gij uw broeder gewonnen.
16Maar indien hij u niet hoort, zo neem nog een of twee met u; opdat in de mond van twee of drie getuigen alle woord besta.
17En indien hij denzelven geen gehoor geeft; zo zeg het der gemeente;17) en indien hij ook der gemeente geen gehoor geeft, zo zij hij u als de heiden en de tollenaar.18)
18Voorwaar zeg Ik u: Al wat gij op de aarde binden zult,19) zal in de hemel gebonden wezen; en al wat gij op de aarde ontbinden zult, zal in den hemel ontbonden wezen.
19Wederom zeg Ik u: Indien er twee van u samenstemmen op de aarde, over enige zaak, die zij zouden mogen begeren,20) dat die hun zal geschieden van Mijn Vader, Die in de hemelen is.
20Want waar twee of drie vergaderd zijn in Mijn Naam, daar ben Ik22) in het midden van hen.
21Toen kwam Petrus tot Hem, en zeide: Heere! hoe menigmaal zal mijn broeder tegen mij zondigen, en ik hem vergeven! Tot zevenmaal?
22Jezus zeide tot hem: Ik zeg u, niet tot zevenmaal, maar tot zeventigmaal zeven maal.23)
23Daarom wordt het Koninkrijk der hemelen vergeleken bij een zeker koning, die rekening met zijn dienstknechten houden wilde.24)
24Als hij nu begon te rekenen, werd tot hem gebracht een, die hem schuldig was25) tien duizend talenten.26)
25En als hij niet had, om te betalen, beval zijn heer, dat men hem zou verkopen,27) en zijn vrouw en kinderen, en al wat hij had, en dat de schuld zou betaald worden.
26De dienstknecht dan, nedervallende, aanbad hem, zeggende: Heer! wees lankmoedig over mij, en ik zal u alles betalen.
27En de heer van dezen dienstknecht, met barmhartigheid innerlijk bewogen zijnde, heeft hem ontslagen, en de schuld hem kwijtgescholden.
28Maar dezelve dienstknecht, uitgaande, heeft gevonden een zijner mededienstknechten, die hem honderd penningen28) schuldig was, en hem aanvattende, greep hem bij de keel,29) zeggende: Betaal mij, wat gij schuldig zijt.
29Zijn mededienstknecht dan, nedervallende aan zijn voeten, bad hem, zeggende: Wees lankmoedig over mij, en ik zal u alles betalen.
30Doch hij wilde niet, maar ging heen, en wierp hem in de gevangenis, totdat hij de schuld zou betaald hebben.
31Als nu zijn mededienstknechten zagen, hetgeen geschied was, zijn zij zeer bedroefd geworden; en komende, verklaarden zij hunnen heer al wat er geschied was.
32Toen heeft hem zijn heer tot zich geroepen, en zeide tot hem: Gij boze dienstknecht, al die schuld heb ik u kwijtgescholden, dewijl gij mij gebeden hebt;
33Behoordet gij ook niet u over uw mededienstknecht te ontfermen, gelijk ik ook mij over u ontfermd heb?
34En zijn heer, vertoornd zijnde, leverde hem den pijnigers over,30) totdat hij zou betaald hebben31) al wat hij hem schuldig was.
35Alzo zal ook Mijn hemelse Vader u doen, indien gij niet van harte vergeeft 32)een iegelijk zijn broeder zijn misdaden.