Home Introduction Persons Geogr. Sources Events Mijn blog(Nederlands)
Religion Subjects Images Queries Links Contact Do not fly Iberia
This is a non-commercial site. Any revenues from Google ads are used to improve the site.

Custom Search
Quote of the day: Civilis had also thrown a dam obliquely
Notes
Display Vulgate text
Display Statenvertaling
The New Testament

Letter of Paul to the Romans Chapter 13
Next chapter
Return to index
Previous chapter
1 Let every soul be subject unto the higher powers. For there is no power but of God: the powers that be are ordained of God.
2 Whosoever therefore resisteth the power, resisteth the ordinance of God: and they that resist shall receive to themselves damnation.
3 For rulers are not a terror to good works, but to the evil. Wilt thou then not be afraid of the power? do that which is good, and thou shalt have praise of the same:
4 For he is the minister of God to thee for good. But if thou do that which is evil, be afraid; for he beareth not the sword in vain: for he is the minister of God, a revenger to execute wrath upon him that doeth evil.
5 Wherefore ye must needs be subject, not only for wrath, but also for conscience sake.
6 For for this cause pay ye tribute also: for they are God's ministers, attending continually upon this very thing.
7 Render therefore to all their dues: tribute to whom tribute is due; custom to whom custom; fear to whom fear; honour to whom honour.
8 Owe no man any thing, but to love one another: for he that loveth another hath fulfilled the law.
9 For this, Thou shalt not commit adultery, Thou shalt not kill, Thou shalt not steal, Thou shalt not bear false witness, Thou shalt not covet; and if there be any other commandment, it is briefly comprehended in this saying, namely, Thou shalt love thy neighbour as thyself.
10 Love worketh no ill to his neighbour: therefore love is the fulfilling of the law.
11 And that, knowing the time, that now it is high time to awake out of sleep: for now is our salvation nearer than when we believed.
12 The night is far spent, the day is at hand: let us therefore cast off the works of darkness, and let us put on the armour of light.
13 Let us walk honestly, as in the day; not in rioting and drunkenness, not in chambering and wantonness, not in strife and envying.
14 But put ye on the Lord Jesus Christ, and make not provision for the flesh, to fulfil the lusts thereof.

Romeinen 13

1Alle ziel zij1) den machten,2) over haar gesteld3), onderworpen;4) want er is geen macht5) dan van God,6) en de machten, die er zijn,7) die zijn van God geordineerd.8)
2Alzo dat die zich tegen de macht stelt,9) de ordinantie van God wederstaat; en die ze wederstaan, zullen over zichzelven een oordeel10) halen.11)
3Want de oversten12) zijn niet tot een vreze13) den goeden werken,14) maar den kwaden.15) Wilt gij nu de macht niet vrezen,16) doe het goede, en gij zult lof van haar hebben;17)
4Want zij is Gods dienares,18) u ten goede.19) Maar indien gij kwaad doet,20) zo vrees;21) want zij draagt het zwaard niet tevergeefs;22) want zij is Gods dienares, een wreekster23) tot straf dengene,24) die kwaad doet.
5Daarom is het nodig onderworpen te zijn,25) niet alleen om der straffe,26) maar ook om des gewetens wil.27)
6Want daarom28) betaalt gij ook29) schattingen;30) want zij zijn31) dienaars van God,32) in ditzelve33) geduriglijk bezig zijnde.34)
7Zo geeft dan35) een iegelijk,36) wat gij schuldig zijt; schatting,37) dien gij de schatting, tol, dien gij den tol,38) vreze, dien gij de vreze,39) eer, die gij de eer schuldig zijt.40)
8Zijt niemand iets schuldig,41) dan elkander lief te hebben;42) want die den ander liefheeft,43) die heeft de wet vervuld.45)44)
9Want dit: Gij zult geen overspel doen,46) gij zult niet doden, gij zult niet stelen, gij zult geen valse getuigenis geven, gij zult niet begeren; en zo er enig ander gebod is, wordt in dit woord als in een hoofdsom begrepen,47) namelijk in dit: Gij zult uw naaste liefhebben gelijk uzelven.
10De liefde doet den naaste geen kwaad.48) Zo is dan de liefde de vervulling der wet.49)
11En dit zeg ik te meer, dewijl wij de gelegenheid des tijds weten,50) dat het de ure is, dat wij nu uit den slaap opwaken;51) want de zaligheid52) is ons nu nader,53) dan toen wij eerst geloofd hebben.54)
12De nacht is55) voorbijgegaan,56) en de dag57) is nabij gekomen.58) Laat ons dan afleggen59) de werken der duisternis,60) en aandoen61) de wapenen62) des lichts.63)
13Laat ons, als in den dag,64) eerlijk65) wandelen;66) niet in brasserijen67) en dronkenschappen,68) niet in slaapkameren69) en ontuchtigheden,70) niet in twist en nijdigheid;
14Maar doet aan71) den Heere Jezus Christus,72) en verzorgt73) het vlees niet74) tot begeerlijkheden.75)