Home Introduction Persons Geogr. Sources Events Mijn blog(Nederlands)
Religion Subjects Images Queries Links Contact Do not fly Iberia
This is a non-commercial site. Any revenues from Google ads are used to improve the site.

Custom Search
Quote of the day: The soldiery of the capital, who were im
Display Latin text
Display Dutch text
The Gallic War (De Bello Gallico) by Julius Caesar
Translated by Alfred John Church and William Jackson Brodribb
Book I Chapter 1: Introduction[58 BC]
Next chapter
Return to index
All Gaul is divided into three parts, one of which the Belgae inhabit, the Aquitani another, those who in their own language are called Celts, in our Gauls, the third. All these differ from each other in language, customs and laws. The river Garonne separates the Gauls from the Aquitani; the Marne and the Seine separate them from the Belgae. Of all these, the Belgae are the bravest, because they are furthest from the civilization and refinement of [our] Province, and merchants least frequently resort to them, and import those things which tend to effeminate the mind; and they are the nearest to the Germans, who dwell beyond the Rhine, with whom they are continually waging war; for which reason the Helvetii also surpass the rest of the Gauls in valor, as they contend with the Germans in almost daily battles, when they either repel them from their own territories, or themselves wage war on their frontiers. One part of these, which it has been said that the Gauls occupy, takes its beginning at the river Rhone; it is bounded by the river Garonne, the ocean, and the territories of the Belgae; it borders, too, on the side of the Sequani and the Helvetii, upon the river Rhine, and stretches toward the north. The Belgae rises from the extreme frontier of Gaul, extend to the lower part of the river Rhine; and look toward the north and the rising sun. Aquitania extends from the river Garonne to the Pyrenaean mountains to that part of the ocean which is near Spain: it looks between the setting of the sun, and the north star.


In zijn geheel beschouwd is GalliŽ in drieŽn te verdelen: een deel wordt bewoond door de Belgen, een tweede door de Aquitanen, een derde deel door hen die in hun eigen taal Kelten, in onze taal GalliŽrs heten. Zij allen verschillen van elkaar in taal, gewoonten en wetten. De GalliŽrs worden door de Garonne van de Aquitanen, door de Marne en de Seine van de Belgen gescheiden. Van al deze volkeren zijn de Belgen het dapperst, omdat zij het minst te maken hebben met de cultuur van Zuid-Frankrijk. Heel zelden komen kooplieden bij hen langs om bij hen zaken te importeren die hen tot verwende mensen maken. Hun naaste buren zijn Germanen van de andere kant van de Rijn, met wie zij onafgebroken oorlog voeren. Een deel van hun gebied dat volgens de berichten in bezit is van de GalliŽrs, begint bij de RhŰne, grenst aan de Garonne, de Atlantische Oceaan en het gebied van de Belgen. Ja, zelfs reikt het vanaf de Sequanen en HelvetiŽrs tot aan de Rijn: het ziet uit op het Noorden. Het gebied van de Belgen begint bij de verste grenzen van GalliŽ, reikt tot aan het lager gedeelte van de Rijn, strekt zich uit naar het noordoosten. AquitaniŽ reikt van de Garonne tot aan de PyreneeŽn en dat deel van de Atlantische Oceaan dat bij Spanje ligt: het ziet uit op het noordwesten.