Home Introduction Persons Geogr. Sources Events Mijn blog(Nederlands)
Religion Subjects Images Queries Links Contact Do not fly Iberia
This is a non-commercial site. Any revenues from Google ads are used to improve the site.

Custom Search
Quote of the day: The more common report is that Remus con
Notes
Display Latin text
Display Dutch text
The Gallic War (De Bello Gallico) by Julius Caesar
Translated by Alfred John Church and William Jackson Brodribb
Book III Chapter 11: War with the Veneti. Measures of Caesar.[56 BC]
Next chapter
Return to index
Previous chapter
He therefore sends Titus Labienus, his lieutenant, with the cavalry to the Treviri, who are nearest to the river Rhine. He charges him to visit the Remi and the other Belgians, and to keep them in their allegiance and repel the Germans (who were said to have been summoned by the Belgae to their aid,) if they attempted to cross the river by force in their ships. He orders Publius Crassus to proceed into Aquitania with twelve legionary cohorts and a great number of the cavalry, lest auxiliaries should be sent into Gaul by these states, and such great nations be united. He sends Quintus Titurius Sabinus his lieutenant, with three legions, among the Unelli, the Curiosolitae, and the Lexovii, to take care that their forces should be kept separate from the rest. He appoints Decimus Brutus, a young man, over the fleet and those Gallic vessels which he had ordered to be furnished by the Pictones and the Santoni, and the other provinces which remained at peace; and commands him to proceed toward the Veneti, as soon as he could. He himself hastens thither with the land forces.

Event: War with the Veneti

Oorlog met de Veneti. Maatregelen van Caesar.

Derhalve stuurde hij onderbevelhebber Titus Labienus met de ruiterij naar de Treveren, die zich het dichtst bij de Rijn bevinden. Hem droeg hij op om de Remen en de overige Belgen op te zoeken en hen in onderdanigheid te houden en om de Germanen, van wie werd beweerd dat zij door de GalliŽrs te hulp waren geroepen, tegen te houden, mochten zij proberen op schepen een overtocht over de rivier te forceren. Hij beval Publius Crassus met twaalf legioenscohorten en groot aantal van de ruiterij naar AquitaniŽ te vertrekken om te voorkomen dat uit deze volkeren hulptroepen naar GalliŽ werden gezonden en zoveel volkeren zich zouden verenigen. Onderbevelhebber Quintus Titurius Sabinus stuurde hij met drie legioenen naar de Venellen, Coriosolieten en LexoviŽrs om ervoor te zorgen dat die troepenmacht uit elkaar werd gehouden. Decimus Brutus de Jongere stelde hij aan het hoofd van de vloot en de Gallische schepen die hij bevolen had om samen te komen uit het gebied van de Pictonen en Santonen en uit de overige onderworpen gebieden, en liet hem, zodra deze daartoe in staat was, naar de Veneten vertrekken. Zelf trok hij met zijn infanterie daarnaartoe op.