Home Introduction Persons Geogr. Sources Events Mijn blog(Nederlands)
Religion Subjects Images Queries Links Contact Do not fly Iberia
This is a non-commercial site. Any revenues from Google ads are used to improve the site.

Custom Search
Quote of the day: As nothing could unite them into one pol
Notes
Display Latin text
Display Dutch text
The Gallic War (De Bello Gallico) by Julius Caesar
Translated by Alfred John Church and William Jackson Brodribb
Book VI Chapter 9: Revolt of the Gauls. Caesar crosses the Rhine again.[53 BC]
Next chapter
Return to index
Previous chapter
Caesar, after he came from the territories of the Menapii into those of the Treviri, resolved for two reasons to cross the Rhine; one of which was, because they had sent assistance to the Treviri against him; the other, that Ambiorix might not have a retreat among them. Having determined on these matters, he began to build a bridge a little above that place where he had before conveyed over his army. The plan having been known and laid down, the work is accomplished in a few days by the great exertion of the soldiers. Having left a strong guard at the bridge on the side of the Treviri, lest any commotion should suddenly arise among them, he leads over the rest of the forces and the cavalry. The Ubii, who before had sent hostages and come to a capitulation, send embassadors to him, for the purpose of vindicating themselves, to assure him that "neither had auxiliaries been sent to the Treviri from their state, nor had they violated their allegiance;" they entreat and beseech him "to spare them, lest, in his common hatred of the Germans, the innocent should suffer the penalty of the guilty: they promise to give more hostages, if he desire them." Having investigated the case, Caesar finds that the auxiliaries had been sent by the Suevi; he accepts the apology of the Ubii, and makes the minute inquiries concerning the approaches and the routes to the territories of the Suevi.

Event: Revolt of the Gauls

Caesar steekt de Rijn over.

Nadat Caesar vanuit het gebied van de MenapiŽrs naar dat van de Treveren was gekomen, besloot hij om twee redenen de Rijn over te steken. Een daarvan was, dat de Germanen aan de Treveren hulptroepen tegen hem hadden gestuurd; de tweede reden was om te verhinderen dat Ambiorix bij hen toevlucht kon zoeken. Na vaststelling van deze zaken begon hij net boven die plek waarheen hij tevoren het leger had laten oversteken een brug aan te leggen. Omdat het een bekende en beproefde methode was, werd het werk met grote inzet van de soldaten binnen enkele dagen geklaard. Hij liet bij de Treveren een fors garnizoen achter ter bewaking van de brug, opdat door hun toedoen niet plotseling een opstand zou uitbreken, en liet de overige troepen en de ruiterij oversteken. De UbiŽrs, die eerder gijzelaars hadden afgestaan en zich vrijwillig hadden overgegeven, stuurden om zichzelf te verontschuldigen gezanten naar hem om uit de doeken te doen dat noch uit hun stam hultroepen naar de Treveren waren gezonden noch zijzelf hun woord hadden gebroken. Met klem vroegen zij om hen te sparen, opdat niet in plaats van de schuldigen onschuldigen werden gestraft om hun gemeenschappelijke haat jegens de Germanen; als hij meer gijzelaars wilde, moesten zij beloven dat die gegeven werden. Nader onderzoek leerde Caesar dat de hulptroepen door de Sueben waren gestuurd; hij aanvaardde de verontschuldiging van de UbiŽrs; nauwkeurig informeerde hij naar de toegangswegen naar de Sueben.