Home Introduction Persons Geogr. Sources Events Mijn blog(Nederlands)
Religion Subjects Images Queries Links Contact Do not fly Iberia
This is a non-commercial site. Any revenues from Google ads are used to improve the site.

Custom Search
Quote of the day: As nothing could unite them into one pol
Notes
Display Latin text
Display Dutch text


Ovid XIV Chapter 1: 1-74 The transformation of Scylla
Next chapter
Return to index
Previous chapter
Glaucus, the fisher of the swollen Euboean waters, soon left Aetna behind, that mountain piled on Typhoeus's giant head, and the Cyclops's fields, that know nothing of the plough's use or the harrow, and owe nothing to the yoked oxen. Zancle was left behind as well, and the walls of Rhegium opposite, and the dangerous strait, hemmed in between twin coast-lines, that marks the boundary between Sicily and Italian Ausonia. From there, swimming with mighty strokes, across the Tyrrhenian Sea, he came to the grassy hills and the halls of Circe, daughter of the Sun, filled with transformed beasts. As soon as he saw her, and words of welcome had been exchanged, he said: Goddess, I beg you, take pity on a god! You alone can help this love of mine, if I seem worthy of help. No one knows better than I, Titaness, what power herbs have, since I was transmuted by them. So that the cause of my passion is not unknown to you, I saw Scylla, on the Italian coast, opposite Messene's walls. I am ashamed to tell of the prayers and promises, the blandishments I used, words that were scorned. If there is any power in charms, utter a charm from your sacred clips: or, if herbs are more potent, use the proven strength of active herbs. I trust you not to cure me, or heal me, of these wounds: my love cannot end: only let her feel this heat. No one has a nature more susceptible to such fires than Circe, whether the root of it is in herself, or whether Venus, offended by Sol her father's tale-bearing, made her that way, so she replied: 'You would do better to chase after someone whose wishes and purposes were yours, and who was captured by equal desire. Besides, you were worth courting (and certainly could be courted), and if you offer any hope, believe me you will be too. If you doubt it, and have no faith in your attractions, well, I, though I am a goddess, daughter of shining Sol, though I possess such powers of herbs and charms, I promise to be yours. Spurn the spurner, repay the admirer, and, in one act, be twice revenged.' To such temptations as these Glaucus replied: 'Sooner than my love will change, Scylla unchanged, leaves will grow on the waters, and seaweed will grow on the hills.' The goddess was angered, and since she could not harm him (nor, loving him, wished to do so) she was furious with the girl, who was preferred to her. Offended at his rejection of her passion, she at once ground noxious herbs with foul juices, and joined the spells of Hecate to their grinding. Wrapping herself in a dusky cloak, she made her way from the palace, through the crowd of fawning beasts, and sought out Rhegium opposite Zancle's cliffs, travelling over the seething tidal waters, as if she trod on solid ground, crossing dry-footed over the surface of the sea. There was a little pool, curved in a smooth arc, dear to Scylla for its peacefulness. When the sun was strongest, at the zenith, and from its heights made shortest shadows, she retreated there from the heat of sky and sea. This, the goddess tainted in advance and contaminated with her monstrous poison. She sprinkled the liquid squeezed from harmful roots, and muttered a mysterious incantation, dark with strange words, thrice nine times, in magical utterance. Scylla comes, wading waist deep into the pool, only to find the water around her groin erupt with yelping monsters. At first, not thinking them part of her own body, she retreats from their cruel muzzles, fears them, and pushes them away: but, what she flees from, she pulls along with her, and, seeking her thighs, her legs, her feet, in place of them finds jaws like Cerberus's. She stands among raging dogs, and is encircled by beasts, below the surface, from which her truncated thighs and belly emerge. Her lover Glaucus wept, and fled Circe's embrace, she, who had made too hostile a use of her herbs' powers. Scylla remained where she was, and, at the first opportunity, in her hatred of Circe, robbed Ulysses of his companions. Later she would have overwhelmed the Trojan ships, if she had not previously been transformed into a rock, whose stone is visible even now: a rock that sailors still avoid.

Event: Glaucus, Scylla and Circe

De zeegod liet de Etna, die op de nek van een gigant ligt, achter zich. Hij verliet ook het land van de cyclopen en liet Sicilïe ver achter zich. Glaucus zwom krachtig door de Tyrrheense zee naar Circe, de dochter van de Zonnegod. Hij zwom tot bij de heuvels waar haar kruidentuin, haar toverdieren en haar paleis waren.

Ze maakten kennis en daarna zei hij: "Godin, ik smeek je, help mij, een god! Want jij bent de enige die mij kan helpen. En ik ben het waard, geloof me… Niemand, Circe, weet beter dan ik hoe groot de macht van kruiden kan zijn: ik werd immers door toverkruid veranderd. Luister, ik leg je uit waarom ik zo wanhopig ben. Op de Italiaanse kust, recht tegenover de muren van Zancle, zag ik een meisje, Scylla. Ik schaam me diep om hier voor jou opnieuw mijn smeekbeden en mijn afgewezen vleierijen te herhalen. Maar jij, die zo’n macht met toverspreuken bezit, zing voor mij zo’n spreuk. Als echter kruiden sterker en effectiever zijn, gebruik dan hun beproefde krachten. Ik vraag je niet om mij van mijn verliefdheid af te helpen, nee, van mijn verliefdheid genezen is niet nodig; ik wil alleen dat Scylla diezelfde verliefdheid voelt voor mij zoals ik die voel voor haar!"

Maar Circe was in haar hart gevoeliger voor de liefde dan anderen. Ofwel moest je de oorzaak bij haarzelf zoeken, ofwel bij de boze Venus die hiermee het verraad van Circe’s vader, de Zon, gestraft had. Circe richtte zich tot Glaucus en sprak: "Zoek liever naar een vrouw die dezelfde verlangens met jou deelt, iemand die dezelfde hartstocht kent zoals jij die kent! Het is je gegund, en er bestaat een grote kans dat zo’n vrouw vanzelf op jou verliefd wordt. Geloof me, als je haar de kansen biedt, krijg je zo’n vrouw… Ook al ben ik een godin, ook al ben ik de dochter van de gouden Zon, ook al kan ik veel doen met kruid en toverspreuken, toch bid ik je: neem mij tot vrouw! Vergeet Scylla, ze weigert toch, neem mij tot vrouw, ik geef me volledig aan jou! Zo beloon je twee vrouwen met eenzelfde daad!"

Zo probeerde ze hem te verleiden, maar Glaucus antwoordde: "Eerder zal er boomloof uit de zee groeien, eerder zul je zeewier op hoge bergtoppen vinden dan dat ik mijn liefde voor Scylla zal opgeven. Zolang Scylla leeft, leeft de liefde voor haar verder in mij." Circe was diep beledigd, maar omdat ze Glaucus niet kon en niet wou pijn doen in haar verliefdheid, nam ze wraak op Scylla, voor wie zij verstoten was.

Onmiddellijk stampte ze kruiden met uiterst giftige stoffen fijn. Al stampend zong ze de vereiste toverspreuken en hulde zich daarna in een blauwe mantel. Bij het verlaten van het paleis werd ze omringd door een stoet van kwispelende, wilde dieren. Zo ging ze naar Rhegium dat tegenover de stad Zancle ligt. Door de branding ging ze de zee op. Ze liep over het tapijt van golven alsof ze over vaste grond liep; toch bereikte ze haar doel met droge voeten.

Haar doel was een kleine inham in de kust, het plaatsje waar Scylla graag ging rusten omdat ze zich er kon onttrekken aan de gloed van de zon als die haar hoogste punt had bereikt; de zee maakte haar bang, daar durfde ze geen koelte zoeken. Circe vervuilde het water van de baai met haar verderfelijk gif, daarna sprenkelde ze overal schadelijke plantensappen en prevelde duistere toverformules, spreuken vol onbekende woorden. Driemaal negenmaal herhaalde ze dit ritueel van klanken en woorden.

Toen Scylla in de baai aankwam, daalde ze tot haar middel in het water. Plots zag ze dat haar buik en heupen omkronkeld waren door een soort blaffende, zwarte monsters. Eerst dacht ze dat de monsters nog van haar lichaam te scheiden waren; ze probeerde ze vluchtend van zich af te slaan omdat ze er bang van was. Maar terwijl ze wegliep, sleepte ze de vervaarlijk kijkende hondenkoppen mee. Toen ze aan haar dijen, benen en voeten wou tasten, voelde ze die niet meer, ze voelde monsterachtige koppen. Dolle Cerberussen vormden nu haar onderlichaam en dierenlijven kronkelden tot haar buik en heupen die daar misvormd naar bovenuit staken. Scylla’s minnaar, Glaucus, vluchtte in tranen weg nadat hij zag wat Circe had aangericht; hij wou absoluut niet met Circe trouwen. Scylla bleef zoals ze toen was, monsterachtig lelijk.

Maar toen ze de kans kreeg om op Circe wraak te nemen, liet ze die niet liggen. Ze roofde Odysseus’ makkers en als ze niet in een omhoogstekende rots was veranderd zou ze Aeneas’ schepen opnieuw hebben doen vergaan. Nog steeds zeilen stuurlui voorzichtig langs deze klip...