Home Introduction Persons Geogr. Sources Events Mijn blog(Nederlands)
Religion Subjects Images Queries Links Contact Do not fly Iberia
This is a non-commercial site. Any revenues from Google ads are used to improve the site.

Custom Search
Quote of the day: Thus utterly regardless of all law human
Notes
Display Latin text
Display Dutch text


Ovid XIV Chapter 3: 101-153 Aeneas and the Sybil of Cumae
Next chapter
Return to index
Previous chapter
When he had passed those islands, and left the walls of Parthenope behind him to starboard, the tomb of Misenus, the trumpeter, the son of Aeolus, was to larboard, and the shore of Cumae, a place filled with marshy sedges. He entered the cave of the Sibyl, and asked to go down to Avernus, to find his father's ghost. Then the Sibyl after remaining, for a long time, with her eyes gazing at the earth, lifted them, at last, filled with the frenzy of the god, and cried: 'You ask great things, man of great achievements, whose hand has been tested by the sword, whose faith has been tested by the fire. But have no fear, Trojan, you will have what you desire, and, with me as your guide, you will know the halls of Elysium, and earth's strangest realm, and the likeness of your dear father. To virtue, no way is barred.' She spoke, and pointed out to him a gleaming golden bough, in the woods of Proserpine, the Juno of Avernus, and ordered him to break it from the tree. Aeneas obeyed, and saw the power of dread Dis, and he saw his own ancestors, and the ancient shade of great-souled Anchises. He learned also the laws of those regions, and the trials he must undergo in fresh wars. Then taking the return path, with weary paces, he eased the labour by talking with his Cumean guide. As he travelled the fearful road through the shadowy twilight, he said: 'Whether you are truly a goddess, or only most beloved by the gods, you will always be like a goddess to me, and I will acknowledge myself in your debt, who have allowed me to enter the place of the dead, and having seen that place of the dead, escape it. When I reach the upper air, I will build a temple to you, for this service, and burn incense in your honour.' The priestess gazed at him and with a deep sigh, said: 'I am not a goddess: and do not assume any human being is worth the honour of holy incense, or err out of ignorance. I was offered eternal life without end, if I would surrender my virginity to Phoebus my lover. While he still hoped for it, while he desired to bribe me beforehand with gifts, he said: Virgin of Cumae, choose what you wish, and what you wish you shall have." Pointing to a pile of dust, that had collected, I foolishly begged to have as many anniversaries of my birth, as were represented by the dust. But I forgot to ask that the years should be accompanied by youth. He gave me the years, and lasting youth, as well, if I would surrender: I rejected Phoebus's gift, and never married. But now my more fruitful time has turned its back on me, and old age comes, with tottering step, that must be long endured. Though I have now lived seven centuries, three hundred harvests, three hundred vintages, still remain to be seen, to equal the content of the dust. The time will come when the passage of days will render such body as I have tiny, and my limbs, consumed with age, will reduce to the slightest of burdens. I will be thought never to have loved, and never to have delighted a god. Phoebus too perhaps will either not know me, or will deny that he loved me. I will go as far as having to suffer transformation, and I will be viewed as non-existent, but still known as a voice: the fates will bequeath me a voice.'

Event: Aeneas visits the Underworld

Napels en het graf van Misenus, Aeneas’ scheepstrompetter en zoon van Aeolus, lagen achter hen. Ze bereikten Cumae, een kustgebied met veel meren. Daar betrad Aeneas de grot van de bijna Sibille. Met aandrang vroeg hij haar te helpen om via het Avernusmeer de schim van zijn vaders te bezoeken. Traag sloeg zij haar ogen op; ze raakte ten slotte door Apollo bezield en zei:

"Je vraagt iets groots, zoals je daden groots zijn. Met wapens heb je ons je kracht getoond in je vuur, in je vroomheid. Welnu, Trojaan, wees niet bang. Je wens zal vervuld worden: je zult het Elysium en het rijk van de doden met mij als gids aanschouwen. Ook zul je de schim van je vader ontmoeten. Voor heldenmoed staan alle wegen open."

Met die woorden wees zij hem in het bos dat aan Proserpina gewijd was, de gouden tak aan. Die moest hij van de boomstam losrukken.

Toen Aeneas die opdracht voltooid had, bezocht hij het rijk van de gevreesde Pluto. Hij zag er zijn voorvaderen en zag er ook de schim van de oude held Anchises. Ook leerde hij de wetten van de onderwereld kennen en vernam van de nieuwe strijd die hem te wachten stond. Met vermoeide stappen ging hij de weg terug. De gesprekken met zijn gids, de Sibille, deden die zware, bange tocht door het schemerduister korter lijken.

Zo zei hij: "Of jij nu zelf een godheid bent of een gunstelinge van de goden, ik vereer jou voortaan als een godin omdat ik aan jou, dat besef ik goed, mijn leven dank. Door jouw genade mocht ik de wereld van de dood bezoeken en er ook weer aan ontsnappen. Eenmaal terug op aarde zal ik een tempel aan jou wijden en jou levenslang met wierook eren."

De profetes keek naar hem om en sprak met een diepe zucht: "Neen, ik ben geen godheid en je mag een sterveling nooit danken met wierook! Vergis je niet in je onschuld! En weet dat ik het licht van de eeuwigheid had kunnen zien, als ik mijn kuisheid had geofferd aan Apollo’s liefde. Toen hij die hoop nog had en dacht dat hij mij met geschenken kon winnen, zei hij: "Zeg wat je hebben wil Sibille, je zult je wens vervuld zien", waarop ik hem een hoop zand aanwees en hem evenveel jaren te leven vroeg als al die korrels daar. Ik was dwaas, want ik vergat bij al die jaren om ook de eeuwige jeugd te vragen…

Hij gaf ze mij, hij bood mij zelfs aan om eeuwig jong te zijn, als hij, Apollo, mij meer mocht beminnen. Ik wees hem af en leid sindsdien een ongehuwd bestaan. De glans van de jeugd neemt nu ook af, een zwakke ouderdom komt bevend nader en zal nog lange tijd mijn lot zijn. Zeven eeuwen lang besta ik nu, maar om het aantal korrels vol te maken moet ik nog driemaal honderd zomers en driemaal honderd herfsten beleven. Dan komt het uur dat ik van groot heel klein zal worden. Door mijn bestaan zal mijn oud, versleten lichaam tot een nietig hoopje krimpen. Niemand zal geloven dat ik ooit werd bemind, zelfs door een god! Apollo zelf zal mij misschien niet herkennen, of hij zal ontkennen dat hij eens van mij hield. Zo anders zal ik zijn, voor niemand zichtbaar, alleen nog kenbaar aan mijn stem, mijn stem mag ik behouden…"