Home Introduction Persons Geogr. Sources Events Mijn blog(Nederlands)
Religion Subjects Images Queries Links Contact Do not fly Iberia
This is a non-commercial site. Any revenues from Google ads are used to improve the site.

Custom Search
Quote of the day: To keep his soldiers free from sloth, he
Notes
Display Vulgate text
Display Statenvertaling
The New Testament

Second letter of Paul to the Corinthians Chapter 9
Next chapter
Return to index
Previous chapter
1 For as touching the ministering to the saints, it is superfluous for me [Note] to write to you:
2 For I know the forwardness of your mind, for which I boast of you to them of Macedonia, that Achaia was ready a year ago; and your zeal hath provoked very many.
3 Yet have I sent the brethren, lest our boasting of you should be in vain in this behalf; that, as I said, ye may be ready:
4 Lest haply if they of Macedonia come with me, and find you unprepared, we (that we say not, ye) should be ashamed in this same confident boasting.
5 Therefore I thought it necessary to exhort the brethren, that they would go before unto you, and make up beforehand your bounty, whereof ye had notice before, that the same might be ready, as a matter of bounty, and not as of covetousness.
6 But this I say, He which soweth sparingly shall reap also sparingly; and he which soweth bountifully shall reap also bountifully.
7 Every man according as he purposeth in his heart, so let him give; not grudgingly, or of necessity: for God loveth a cheerful giver.
8 And God is able to make all grace abound toward you; that ye, always having all sufficiency in all things, may abound to every good work:
9 (As it is written, He hath dispersed abroad; he hath given to the poor: his righteousness remaineth for ever.
10 Now he that ministereth seed to the sower both minister bread for your food, and multiply your seed sown, and increase the fruits of your righteousness;)
11 Being enriched in every thing to all bountifulness, which causeth through us thanksgiving to God.
12 For the administration of this service not only supplieth the want of the saints, but is abundant also by many thanksgivings unto God;
13 Whiles by the experiment of this ministration they glorify God for your professed subjection unto the gospel of Christ, and for your liberal distribution unto them, and unto all men;
14 And by their prayer for you, which long after you for the exceeding grace of God in you.
15 Thanks be unto God for his unspeakable gift.

Note 1: me = Paul

2 Korinthiërs 9

1Want van de bediening, die1) voor de heiligen geschiedt, is mij onnodig aan u te schrijven.2)
2Want ik weet de volvaardigheid uws gemoeds, van welke ik roem over u bij de Macedoniers, dat Achaje van3) over een jaar bereid is geweest; en de ijver, van u begonnen, heeft er velen verwekt.
3Maar ik heb deze broeders gezonden4), opdat onze roem, dien wij over u hebben, niet zou ijdel gemaakt worden in dezen dele; opdat (gelijk ik gezegd heb) gij bereid moogt zijn;5)
4En dat niet mogelijk, zo de Macedoniers6) met mij kwamen, en u onbereid vonden, wij (opdat wij niet zeggen: gij) beschaamd worden in deze vasten grond der roeming.
5Ik heb dan nodig geacht deze broeders te vermanen, dat zij eerst tot u zouden komen, en voorbereiden uw te voren aangedienden zegen; opdat die gereed zij, alzo als een zegen9), en niet als een vrekheid.
6En dit zeg ik: Die spaarzamelijk zaait, zal ook spaarzamelijk maaien; en die in zegeningen zaait,11) zal ook in zegeningen maaien.12)
7Een iegelijk doe, gelijk hij in zijn hart voorneemt; niet uit droefheid, of uit nooddwang; want14) God heeft een blijmoedigen gever lief.
8En God is machtig alle genade te doen15) overvloedig zijn in u; opdat gij in alles te allen tijd, alle genoegzaamheid hebbende,16) tot alle goed werk overvloedig moogt zijn.
9Gelijk er geschreven is:17) Hij heeft gestrooid, hij heeft den armen gegeven; Zijn gerechtigheid blijft in der eeuwigheid.
10Doch Die het zaad den zaaier verleent, Die verlene ook brood tot spijze, en vermenigvuldige uw gezaaisel, en vermeerdere de vruchten uwer gerechtigheid;21)
11Dat gij in alles rijk wordt tot alle goeddadigheid, welke22) door ons werkt dankzegging23) tot God.
12Want de bediening van dezen dienst vervult24) niet alleen het gebrek der heiligen, maar is ook overvloedig door vele dankzeggingen tot God;
13Dewijl zij door de beproeving dezer25) bediening God verheerlijken over de onderwerping uwer26) belijdenis onder het Evangelie van Christus, en over de goeddadigheid der mededeling aan hen en aan allen;
14En door hun gebed voor u,27) welke naar u verlangen28), om de uitnemende29) genade Gods over u.
15Doch Gode zij dank30) voor Zijn onuitsprekelijke gave.