Home Introduction Persons Geogr. Sources Events Mijn blog(Nederlands)
Religion Subjects Images Queries Links Contact Do not fly Iberia
This is a non-commercial site. Any revenues from Google ads are used to improve the site.

Custom Search
Quote of the day: He had assumed such a new character that
Notes
Display Vulgate text
Display Statenvertaling
The New Testament

Acts chapter 220
Next chapter
Return to index
Previous chapter
Speech of Paul.

1 Men, brethren, and fathers, hear ye my defence which I make now unto you.
2 (And when they heard that he spake in the Hebrew tongue to them, they kept the more silence: and he saith,)
3 I am verily a man which am a Jew, born in Tarsus, a city in Cilicia, yet brought up in this city at the feet of Gamaliel, and taught according to the perfect manner of the law of the fathers, and was zealous toward God, as ye all are this day.
4 And I persecuted this way unto the death, binding and delivering into prisons both men and women.
5 As also the high priest doth bear me witness, and all the estate of the elders: from whom also I received letters unto the brethren, and went to Damascus, to bring them which were there bound unto Jerusalem, for to be punished.
6 And it came to pass, that, as I made my journey, and was come nigh unto Damascus about noon, suddenly there shone from heaven a great light round about me.
7 And I fell unto the ground, and heard a voice saying unto me, Saul, Saul, why persecutest thou me?
8 And I answered, Who art thou, Lord? And he said unto me, I am Jesus of Nazareth, whom thou persecutest.
9 And they that were with me saw indeed the light, and were afraid; but they heard not the voice of him that spake to me.
10 And I said, What shall I do, LORD? And the Lord said unto me, Arise, and go into Damascus; and there it shall be told thee of all things which are appointed for thee to do.
11 And when I could not see for the glory of that light, being led by the hand of them that were with me, I came into Damascus.
12 And one Ananias, a devout man according to the law, having a good report of all the Jews which dwelt there,
13 Came unto me, and stood, and said unto me, Brother Saul, receive thy sight. And the same hour I looked up upon him.
14 And he said, The God of our fathers hath chosen thee, that thou shouldest know his will, and see that Just One, and shouldest hear the voice of his mouth.
15 For thou shalt be his witness unto all men of what thou hast seen and heard.
16 And now why tarriest thou? arise, and be baptized, and wash away thy sins, calling on the name of the Lord.
17 And it came to pass, that, when I was come again to Jerusalem, even while I prayed in the temple, I was in a trance;
18 And saw him saying unto me, Make haste, and get thee quickly out of Jerusalem: for they will not receive thy testimony concerning me.
19 And I said, Lord, they know that I imprisoned and beat in every synagogue them that believed on thee:
20 And when the blood of thy martyr Stephen was shed, I also was standing by, and consenting unto his death, and kept the raiment of them that slew him.
21 And he said unto me, Depart: for I will send thee far hence unto the Gentiles.
22 And they gave him audience unto this word, and then lifted up their voices, and said, Away with such a fellow from the earth: for it is not fit that he should live.

Paul nearly scourged.

23 And as they cried out, and cast off their clothes, and threw dust into the air,
24 The chief captain [Note 1] commanded him to be brought into the castle, and bade that he should be examined by scourging; that he might know wherefore they cried so against him.
25 And as they bound him with thongs, Paul said unto the centurion that stood by, Is it lawful for you to scourge a man that is a Roman, and uncondemned?
26 When the centurion heard that, he went and told the chief captain saying, Take heed what thou doest: for this man is a Roman.
27 Then the chief captain came, and said unto him, Tell me, art thou a Roman? He said, Yea.
28 And the chief captain answered, With a great sum obtained I this freedom. And Paul said, But I was free born.
29 Then straightway they departed from him which should have examined him: and the chief captain also was afraid, after he knew that he was a Roman, and because he had bound him.
30 On the morrow, because he would have known the certainty wherefore he was accused of the Jews, he loosed him from his bands, and commanded the chief priests and all their council to appear, and brought Paul down, and set him before them.

Note 1: chief captain = Claudius Lysias

Events: Speech of Paul., Paul nearly scourged.

Handelingen 22

1Mannen broeders en1) vaders, hoort mijn verantwoording, die ik tegenwoordig tot u doen zal.
2(Als zij nu hoorden, dat hij in de Hebreeuwse taal2) hen aansprak, hielden zij zich te meer stil. En hij zeide:)
3Ik ben een Joods man, en te Tarsen in Cilicie geboren, opgevoed in deze stad, aan de voeten3) van Gamaliel onderwezen naar de bescheidenste4) wijze der vaderlijke wet, zijnde een ijveraar5) Gods, gelijkerwijs gij allen heden zijt;
4Die dezen weg vervolgd6) heb tot den dood,7) bindende en in de gevangenissen overleverende beiden mannen en vrouwen.
5Gelijk mij ook de hogepriester getuige is, en de gehele raad der ouderlingen; van dewelke ik ook brieven genomen hebbende tot de broeders,8) ben naar Damaskus gereisd, om ook degenen, die daar waren, gebonden te brengen naar Jeruzalem, opdat zij gestraft zouden worden.
6Maar het geschiedde9) mij, als ik reisde, en Damaskus genaakte, omtrent den middag, dat snellijk uit den hemel een groot licht mij rondom omscheen.
7En ik viel ter aarde, en ik hoorde een stem, tot mij zeggende: Saul, Saul, wat vervolgt gij Mij?
8En ik antwoordde: Wie zijt Gij, Heere? En Hij zeide tot mij: Ik ben Jezus, de Nazarener, Welken gij vervolgt.
9En die met mij waren, zagen wel het licht, en werden zeer bevreesd; maar de stem Desgenen, Die tot mij sprak, hoorden zij niet.10)
10En ik zeide: Heere! wat zal ik doen? En de Heere zeide tot mij: Sta op, en ga heen naar Damaskus; en aldaar zal met u gesproken worden, van al hetgeen u geordineerd is te doen.
11En als ik vanwege de11) heerlijkheid deszelven lichts niet zag, zo werd ik bij de hand geleid van degenen, die met mij waren, en kwam te Damaskus.
12En een zekere Ananias, een godvruchtig man naar de wet, goede getuigenis hebbende van al de Joden, die daar woonden,
13Kwam tot mij,12) en bij mij staande, zeide tot mij: Saul, broeder, word weder ziende!13) En ter zelfder ure werd ik ziende14) op hem.
14En hij zeide: De God onzer vaderen heeft u te voren verordineerd,15) om Zijn wil te kennen, en den Rechtvaardige16) te zien, en de stem uit Zijn mond te horen.
15Want gij zult Hem getuige zijn bij alle mensen, van hetgeen gij gezien en gehoord hebt.
16En nu, wat vertoeft gij? Sta op, en laat u dopen, en uw zonden afwassen,17) aanroepende den Naam des Heeren.
17En het gebeurde mij, als ik te Jeruzalem wedergekeerd was, en in den tempel bad, dat ik in een vertrekking18) van zinnen was;
18En dat ik Hem zag, en Hij tot mij zeide: Spoed u, en ga in der haast19) uit Jeruzalem; want zij zullen uw getuigenis van Mij niet aannemen.
19En ik zeide: Heere, zij weten, dat ik in de gevangenis wierp, en in de synagogen geselde, die in U geloofden;
20En toen het bloed van Stefanus, Uw getuige,20) vergoten werd, dat ik daar ook bij stond, en mede een welbehagen had in zijn dood, en de klederen bewaarde dergenen, die hem doodden.
21En Hij zeide tot mij: Ga heen; want Ik zal u ver tot de heidenen afzenden.
22Zij hoorden hem nu tot dit woord toe;21) en zij verhieven hun stem, zeggende: Weg van de aarde met zulk een, want het is niet behoorlijk, dat hij leve.
23En als zij riepen, en de klederen van22) zich smeten, en stof in de lucht23) wierpen,
24Zo beval de overste,24) dat men hem in de legerplaats25) zou brengen, en zeide, dat men hem met geselen onderzoeken zou, opdat hij verstaan mocht, om wat oorzaak zij alzo over hem riepen.
25En alzo zij hem met de riemen26) uitrekten, zeide Paulus tot den hoofdman over honderd, die daar stond: Is het ulieden geoorloofd een Romeinsen mens,27) en dien onveroordeeld,28) te geselen?
26Als nu de hoofdman over honderd dat hoorde, ging hij toe, en boodschapte het den overste, zeggende: Zie, wat gij te doen hebt; want deze mens is een Romein.
27En de overste kwam toe, en zeide tot hem: Zeg mij, zijt gij een Romein? En hij zeide: Ja.
28En de overste antwoordde: Ik heb dit burgerrecht voor een grote som gelds verkregen. En Paulus zeide: Maar ik ben ook een burger geboren.29)
29Terstond dan lieten zij van hem af, die hem zouden onderzocht hebben. En de overste werd ook bevreesd, toen hij verstond, dat hij een Romein was, en dat hij hem had gebonden.
30En des anderen daags, willende de zekerheid weten, waarom hij van de Joden beschuldigd werd, maakte hij hem los van de banden, en beval, dat de overpriesters en hun gehele raad zouden komen; en Paulus afgebracht hebbende,30) stelde hij hem voor hen.