Home Introduction Persons Geogr. Sources Events Mijn blog(Nederlands)
Religion Subjects Images Queries Links Contact Do not fly Iberia
This is a non-commercial site. Any revenues from Google ads are used to improve the site.

Custom Search
Quote of the day: He was looked up to with reverence for h
Notes
Display Vulgate text
Display Statenvertaling
The New Testament

Letter to the Hebrews Chapter 6
Next chapter
Return to index
Previous chapter
1 Therefore leaving the principles of the doctrine of Christ, let us go on unto perfection; not laying again the foundation of repentance from dead works, and of faith toward God,
2 Of the doctrine of baptisms, and of laying on of hands, and of resurrection of the dead, and of eternal judgment
3 And this will we do, if God permit.
4 For it is impossible for those who were once enlightened, and have tasted of the heavenly gift, and were made partakers of the Holy Ghost,
5 And have tasted the good word of God, and the powers of the world to come,
6 If they shall fall away, to renew them again unto repentance; seeing they crucify to themselves the son of God afresh, and put him to an open shame.
7 For the earth which drinketh in the rain that cometh oft upon it, and bringeth forth herbs meet for them by whom it is dressed, receiveth blessing from God:
8 But that which beareth thorns and briers is rejected, and is nigh unto cursing; whose end is to be burned.
9 But, beloved, we are persuaded better things of you, and things that accompany salvation, though we thus speak.
10 For God is not unrighteous to forget your work and labour of love, which ye have shewed toward his name, in that ye have ministered to the saints, and do minister.
11 And we desire that every one of you do shew the same diligence to the full assurance of hope unto the end:
12 That ye be not slothful, but followers of them who through faith and patience inherit the promises.
13 For when God made promise to Abraham, because he could swear by no greater, he sware by himself,
14 Saying, Surely blessing I will bless thee, and multiplying I will multiply thee.
15 And so, after he had patiently endured, he obtained the promise.
16 For men verily swear by the greater: and an oath for confirmation is to them an end of all strife.
17 Wherein God, willing more abundantly to shew unto the heirs of promise the immutability of his counsel, confirmed it by an oath:
18 That by two immutable things, in which it was impossible for God to lie, we might have a strong consolation, who have fled for refuge to lay hold upon the hope set before us:
19 Which hope we have as an anchor of the soul, both sure and stedfast, and which entereth into that within the veil;
20 Whither the forerunner is for us entered, even Jesus, made an High Priest for ever after the order of Melchisedec.

Hebrëen 6

1Daarom, nalatende het beginsel der leer1) van Christus, laat ons tot de volmaaktheid voortvaren;2) niet wederom leggende het fondament van de bekering3) van dode werken,4) en van het geloof in God,5)
2Van de leer der dopen,6) en van de oplegging der handen,7) en van de opstanding der doden,8) en van het eeuwig oordeel.9)
3En dit zullen wij ook doen,10) indien het God toelaat.
4Want het is onmogelijk,11) degenen, die eens verlicht geweest zijn,12) en de hemelse gave gesmaakt hebben,13) en des Heiligen Geestes deelachtig geworden zijn,14)
5En gesmaakt hebben het goede woord Gods,15) en de krachten der toekomende eeuw,16)
6En afvallig worden,17) die, zeg ik, wederom te vernieuwen19) tot bekering, als welke zichzelven20) den Zoon van God wederom kruisigen en openlijk te schande maken.
7Want de aarde,21) die den regen, menigmaal op haar komende, indrinkt, en bekwaam kruid voortbrengt voor degenen, door welke zij ook gebouwd wordt, die ontvangt zegen van God;22)
8Maar die doornen en distelen draagt, die is verwerpelijk, en nabij de vervloeking,23) welker einde is tot verbranding.
9Maar, geliefden!24) wij verzekeren ons van u betere dingen, en met de zaligheid gevoegd,25) hoewel wij alzo spreken.26)
10Want God is niet onrechtvaardig 27)dat Hij uw werk zou28) vergeten,29) en den arbeid der liefde, die gij aan Zijn Naam bewezen hebt,30) als die de heiligen gediend hebt en nog dient.
11Maar wij begeren, dat een iegelijk van u dezelfde naarstigheid bewijze, tot de volle verzekerdheid der hoop,31) tot het einde toe;32)
12Opdat gij niet traag wordt, maar navolgers zijt dergenen, die door geloof en lankmoedigheid33) de beloftenissen beerven.34)
13Want als God aan Abraham35) de belofte deed,36) dewijl Hij bij niemand, die meerder was, had te zweren, zo zwoer Hij bij Zichzelven,
14Zeggende: Waarlijk,37) zegenende zal Ik u zegenen,38) en vermenigvuldigende zal Ik u vermenigvuldigen.
15En alzo, lankmoediglijk verwacht hebbende, heeft hij de belofte verkregen.40)
16Want de mensen zweren wel bij den meerdere41) dan zij zijn, en de eed42) tot bevestiging43) is denzelven een einde van alle tegenspreken;
17Waarin God, willende den erfgenamen der beloftenis overvloediger bewijzen de onveranderlijkheid van Zijn raad, met een eed daartussen is gekomen;44)
18Opdat wij, door twee onveranderlijke dingen,45) in welke het onmogelijk is dat God liege, een sterke vertroosting zouden hebben, wij namelijk, die de toevlucht genomen hebben, om de voorgestelde hoop46) vast te houden;
19Welke wij hebben47) als een anker der ziel,48) hetwelk zeker en vast is, en ingaat in het binnenste van het voorhangsel;49)
20Daar de Voorloper voor ons is ingegaan,50) namelijk Jezus, naar de ordening van Melchizedek,51) een Hogepriester geworden zijnde in der eeuwigheid.