Home Introduction Persons Geogr. Sources Events Mijn blog(Nederlands)
Religion Subjects Images Queries Links Contact Do not fly Iberia
This is a non-commercial site. Any revenues from Google ads are used to improve the site.

Custom Search
Quote of the day: Thus utterly regardless of all law human
Notes
Display Vulgate text
Display Statenvertaling
The New Testament

Letter of Paul to the Romans Chapter 14
Next chapter
Return to index
Previous chapter
1 Him that is weak in the faith receive ye, but not to doubtful disputations.
2 For one believeth that he may eat all things: another, who is weak, eateth herbs.
3 Let not him that eateth despise him that eateth not; and let not him which eateth not judge him that eateth: for God hath received him.
4 Who art thou that judgest another man's servant? to his own master he standeth or falleth. Yea, he shall be holden up: for God is able to make him stand.
5 One man esteemeth one day above another: another esteemeth every day alike. Let every man be fully persuaded in his own mind.
6 He that regardeth the day, regardeth it unto the Lord; and he that regardeth not the day, to the Lord he doth not regard it. He that eateth, eateth to the Lord, for he giveth God thanks; and he that eateth not, to the Lord he eateth not, and giveth God thanks.
7 For none of us liveth to himself, and no man dieth to himself.
8 For whether we live, we live unto the Lord; and whether we die, we die unto the Lord: whether we live therefore, or die, we are the Lord's.
9 For to this end Christ both died, and rose, and revived, that he might be Lord both of the dead and living.
10 But why dost thou judge thy brother? or why dost thou set at nought thy brother? for we shall all stand before the judgment seat of Christ.
11 For it is written, As I live, saith the Lord, every knee shall bow to me, and every tongue shall confess to God.
12 So then every one of us shall give account of himself to God.
13 Let us not therefore judge one another any more: but judge this rather, that no man put a stumblingblock or an occasion to fall in his brother's way.
14 I [Note 1] know, and am persuaded by the Lord Jesus, that there is nothing unclean of itself: but to him that esteemeth any thing to be unclean, to him it is unclean.
15 But if thy brother be grieved with thy meat, now walkest thou not charitably. Destroy not him with thy meat, for whom Christ died.
16 Let not then your good be evil spoken of:
17 For the kingdom of God of God is not meat and drink; but righteousness, and peace, and joy in the Holy Ghost.
18 For he that in these things serveth Christ is acceptable to God, and approved of men.
19 Let us therefore follow after the things which make for peace, and things wherewith one may edify another.
20 For meat destroy not the work of God. All things indeed are pure; but it is evil for that man who eateth with offence.
21 It is good neither to eat flesh, nor to drink wine, nor any thing whereby thy brother stumbleth, or is offended, or is made weak.
22 Hast thou faith? have it to thyself before God. Happy is he that condemneth not himself in that thing which he alloweth.
23 And he that doubteth is damned if he eat, because he eateth not of faith: for whatsoever is not of faith is sin.

Note 1: I = Paul

Romeinen 14

1Dengene nu, die zwak is in het geloof,1) neemt aan,2) maar niet tot twistige3) samensprekingen.4)
2De een gelooft wel,5) dat men alles eten mag,6) maar die zwak is,7) eet moeskruiden.8)
3Die daar eet,9) verachte hem niet,10) die niet eet; en11) die niet eet, oordele hem niet,12) die daar eet; want God heeft hem aangenomen.13)
4Wie zijt gij,14) die eens anderen huisknecht15) oordeelt?16) Hij staat,17) of hij valt18) zijn eigen heer;19) doch hij zal vastgesteld worden,20) want God is machtig hem vast te stellen.21)
5De een22) acht wel den enen dag boven den anderen dag;23) maar de ander24) acht al de dagen gelijk.25) Een iegelijk zij26) in zijn eigen gemoed27) ten volle verzekerd.28)
6Die den dag waarneemt,29) die neemt hem waar den Heere; en die30) den dag niet waarneemt, die neemt hem niet waar den Heere. Die daar eet,31) die eet zulks den Heere, want hij dankt God; en die niet eet,32) die eet zulks den Heere niet, en hij dankt God.33)
7Want niemand van ons34) leeft zichzelven,35) en niemand sterft zichzelven.36)
8Want hetzij dat wij leven, wij leven den Heere;37) hetzij dat wij sterven, wij sterven den Heere.38) Hetzij dan dat wij leven, hetzij dat wij sterven, wij zijn des Heeren.39)
9Want daartoe is Christus ook gestorven,40) en opgestaan, en weder levend geworden, opdat Hij beiden over doden en levenden heersen zou.41)
10Maar gij,45)42) wat oordeelt gij43) uw broeder?47)44) Of ook gij, wat veracht gij46) uw broeder? Want wij zullen allen voor den rechterstoel48) van Christus gesteld worden.
11Want er is geschreven: Ik leef,49) zegt de Heere;50) voor Mij zal51) alle knie zich buigen,52) en alle tong zal God53) belijden.54)
12Zo dan een iegelijk55) van ons zal voor zichzelven56) Gode57) rekenschap geven.58)
13Laat ons dan elkander niet meer oordelen; maar oordeelt dit liever, namelijk, dat gij den broeder geen aanstoot of ergernis geeft.
14Ik weet en ben verzekerd59) in den Heere Jezus,60) dat geen ding61) onrein is62) in zichzelven;63) dan die acht iets onrein te zijn,64) die is het onrein.65)
15Maar indien uw broeder66) om der spijze wil67) bedroefd wordt,68) zo wandelt gij niet meer naar liefde.69) Verderf dien niet70) met uw spijze,71) voor welken Christus gestorven is.72)
16Dat dan uw goed niet73) gelasterd worde.74)
17Want het Koninkrijk Gods75) is niet spijs en drank, maar rechtvaardigheid,76) en vrede,77) en blijdschap,78) door den Heiligen Geest.79)
18Want die Christus in deze dingen80) dient,81) is Gode welbehagelijk, en aangenaam82) den mensen.83)
19Zo dan laat ons najagen,84) hetgeen tot den vrede,85) en hetgeen tot de stichting86) onder elkander dient.87)
20Verbreek88) het werk van God niet89) om der spijze wil.90) Alle dingen zijn wel rein;91) maar het is kwaad den mens,92) die met aanstoot eet.93)
21Het is goed geen vlees te eten,94) noch wijn te drinken, noch iets, waaraan uw broeder zich95) stoot, of geergerd wordt,96) of waarin hij zwak is.
22Hebt gij geloof?97) hebt dat bij uzelven98) voor God.99) Zalig is hij, die zichzelven niet oordeelt100) in hetgeen hij voor goed houdt.101)
23Maar die twijfelt,102) indien hij eet,103) is veroordeeld,104) omdat hij niet uit het geloof eet. En al wat uit het geloof niet is,105) dat is zonde.