Home Introduction Persons Geogr. Sources Events Mijn blog(Nederlands)
Religion Subjects Images Queries Links Contact Do not fly Iberia
This is a non-commercial site. Any revenues from Google ads are used to improve the site.

Custom Search
Quote of the day: He flogged to death every tenth man draw
Notes
Display Vulgate text
Display Statenvertaling
The New Testament

Letter of Paul to Titus Chapter 1
Next chapter
Return to index
Previous chapter
1 Paul, a servant of God, and an apostle of Jesus Christ, according to the faith of God's elect, and the acknowledging of the truth which is after godliness;
2 In hope of eternal life, which God, that cannot lie, promised before the world began;
3 But hath in due times manifested his word through preaching, which is committed unto me according to the commandment of God our Saviour;
4 To Titus, mine own son after the common faith: Grace, mercy, and peace, from God the Father and the Lord Jesus Christ our Saviour.
5 For this cause left I thee in Crete, that thou shouldest set in order the things that are wanting, and ordain elders in every city, as I had appointed thee:
6 If any be blameless, the husband of one wife, having faithful children not accused of riot or unruly.
7 For a bishop must be blameless, as the steward of God; not selfwilled, not soon angry, not given to wine, no striker, not given to filthy lucre;
8 But a lover of hospitality, a lover of good men, sober, just, holy, temperate;
9 Holding fast the faithful word as he hath been taught, that he may be able by sound doctrine both to exhort and to convince the gainsayers.
10 For there are many unruly and vain talkers and deceivers, specially they of the circumcision:
11 Whose mouths must be stopped, who subvert whole houses, teaching things which they ought not, for filthy lucre's sake.
12 One of themselves, even a prophet of their own, said, the Cretians are alway liars, evil beasts, slow bellies.
13 This witness is true. Wherefore rebuke them sharply, that they may be sound in the faith;
14 Not giving heed to Jewish fables, and commandments of men, that turn from the truth.
15 Unto the pure all things are pure: but unto them that are defiled and unbelieving is nothing pure; but even their mind and conscience is defiled.
16 They profess that they know God; but in works they deny him, being abominable, and disobedient, and unto every good work reprobate.

Titus 1

1Paulus, een dienstknecht Gods, en een apostel van Jezus Christus, naar het geloof der uitverkorenen Gods, en de kennis der waarheid, die naar de godzaligheid is;
2In de hoop1) des eeuwigen levens, welke God,2) Die niet liegen kan, beloofd heeft, voor de tijden3) der eeuwen, maar geopenbaard heeft4) te Zijner tijd;5)
3Namelijk Zijn Woord,6) door de prediking,7) die mij toebetrouwd is, naar het bevel8) van God, onze Zaligmaker; aan Titus, mijn oprechte9) zoon, naar het gemeen geloof:10)
4Genade, barmhartigheid, vrede zij u van God den Vader, en den Heere Jezus Christus, onzen Zaligmaker.
5Om die oorzaak heb ik u te Kreta gelaten, opdat gij, hetgeen nog ontbrak, voorts zoudt te recht brengen, en dat gij van stad tot stad zoudt ouderlingen stellen, gelijk ik u bevolen heb:
6Indien iemand onberispelijk is,17) ener vrouwe man,18) gelovige kinderen hebbende, die niet te beschuldigen zijn van overdadigheid, of ongehoorzaam zijn.
7Want een opziener19) moet onberispelijk zijn, als een huisverzorger Gods, niet eigenzinnig,20) niet genegen tot toornigheid, niet genegen tot den wijn, geen smijter, geen vuil-gewinzoeker;
8Maar die gaarne herbergt, die de goeden liefheeft,21) matig,22) rechtvaardig, heilig, kuis;
9Die vasthoudt aan het getrouwe woord,23) dat naar de leer is,24) opdat hij machtig zij, beide om te vermanen door de gezonde leer, en om de tegensprekers te wederleggen.25)
10Want er zijn ook vele ongeregelden,26) ijdelheidsprekers27) en verleiders van zinnen, inzonderheid die uit de besnijdenis28) zijn;
11Welken men moet den mond stoppen,29) die gehele huizen30) verkeren,31) lerende wat niet behoort, om vuil gewins wil.
12Een uit hen,32) zijnde hun eigen profeet,33) heeft gezegd: De Kretensen zijn altijd leugenachtig, kwade beesten, luie buiken.34)
13Deze getuigenis is waar.35) Daarom bestraf hen36) scherpelijk,37) opdat zij gezond mogen zijn in het geloof.
14En zich niet begeven tot Joodse fabelen,38) en geboden der mensen, die hen van39) de waarheid afkeren.
15Alle dingen40) zijn wel rein41) den reinen,42) maar den bevlekten43) en ongelovigen is geen ding rein,44) maar beide hun verstand45) en geweten zijn bevlekt.
16Zij46) belijden,47) dat zij God kennen,48) maar zij verloochenen Hem met de werken,49) alzo zij gruwelijk zijn50) en ongehoorzaam,51) en tot alle goed werk ongeschikt.52)