| Een brief van Achitofelvan Michiel OsingaStukjes uit de tekst |
| Uit hoofdstuk I: |
Als opvolger van mijn vader werd het mijn taak de contacten met de Romeinen te onderhouden. Om dat goed te kunnen doen
moest ik mij verdiepen in hun opvattingen. Die verschillen nogal van de onze. Zij geloven in heel veel goden, waar ze ook
afbeeldingen van maken. Wij mogen dat niet, want een afbeelding doet nooit recht aan het afgebeelde en is als zodanig een
belediging voor God. Dat geldt ook voor de Romeinse goden, leek mij. Later raakte ik op vriendschappelijke voet met Priscus, een Romeins officier die gelegerd was in Caesarea. Hij was geboren in Syrië, waar zijn vader toen gelegerd was. Eens vroeg ik hem: "Zou Jupiter nooit eens beledigd zijn door de manier waarop hij wordt afgebeeld?" Hij dacht dat dat wel eens het geval kon zijn en vertelde mij dat er ooit een tijd was dat de Romeinen ook geen beelden van de goden mochten maken. Dat was in de tijd van koning Numa en een poosje daarna . Hij wist niet of Numa daarvoor dezelfde redenen had gehad. Daarna vroeg hij: "Hoe kan het dat de God van de Joden, die volgens jullie de enige god is, zo slecht voor zijn volk zorgt? Had Hij er niet voor moeten zorgen dat de Joden de heersers over andere volken zouden worden, in plaats van de Romeinen?" Wij zeggen gewoonlijk dat wij daarvoor de wetten niet nauwgezet genoeg volgen, maar eigenlijk vind ik dat geen goed argument, want andere volken doen dat nog veel slechter. Volgens onze leiders hoeven die andere volken zich niet aan de spijs- en de offerwetten te houden, maar wel aan de Noachitische wetten. Dat zijn de Tien Geboden zonder het sabbatsgebod en zonder het begeertegebod. Ook veel christenen vinden dat zij zich alleen daaraan hoeven te houden. De besnijdenis komt niet voor in de Tien Geboden. Maar als je ziet en hoort wat de Romeinen, vooral keizer Nero en keizer Domitianus de laatste tijd hebben gedaan, dan is dat heel erg in strijd met elke wet, niet alleen met de Noachitische, maar ook met hun eigen wetten. Nero heeft zijn moeder laten vermoorden! En dus vroeg ik: "Vindt Jupiter het zomaar goed dat Nero zijn moeder liet vermoorden? Had Hij daarover geen straf moeten uitdelen?" En ik wees hem nog op het wangedrag van hun goden in het algemeen. Rokkenjagers waren het, die knappe jonge meisjes zwanger maakten en ze dan in de steek lieten; en als ze hun zin niet kregen verging het de meisjes ook slecht. En Jupiter was getrouwd met zijn zuster. Dat was ook volgens de Romeinse wet niet toegestaan. Maar in al die verhalen geloofde hij niet zo erg. Ik mocht hem wel, deze Priscus. Hij vroeg mij ook, wat precies de verschillen tussen de orthodoxe Joden en de christenen waren. Hij had met een aantal christenen gepraat; het waren heel gewone, bescheiden mensen. En de orthodoxe Joden vond hij meestal ook aardige mensen. Toch hadden de Joden en de christenen ruzie met elkaar. Er kwam moord en doodslag van. "Jullie geloven allemaal in één God. Is dat dezelfde God?" "Ja," zei ik. "we geloven in dezelfde God". "Wat is dan het verschil?" vroeg hij. "De christenen geloven dat ene Jezus van Nazareth de Messias is. Wij niet, wij geloven dat de Messias nog moet komen." "Die Messias van jullie, dat is een soort ideale koning heb je mij wel eens verteld." "Ja, en daarom geloven wij niet dat Jezus de Messias is, want hij is nooit koning geworden; integendeel, hij is aan het kruis gestorven." "Maar waarom geloven de christenen dan wel in hem?" "Die geloven dat hij uit de dood is opgestaan en naar de hemel is gegaan." "Zoiets geloven wij ook. Van sommige keizers wordt gezegd dat ze na hun dood naar de hemel zijn gegaan en goden zijn geworden. De eerste van wie het werd gezegd, was Julius Caesar. De christenen geloven dus eigenlijk net zoiets." "Niet helemaal. De christenen geloven dat Jezus aan het eind der tijden uit de hemel terugkomt om de mensheid te oordelen. Dat geloven jullie niet van jullie keizers." "Nee, dat geloven wij niet. Overigens, ook bij ons zijn er grote verschillen tussen wat de ene Romein gelooft en wat de andere Romein gelooft." Dat leek mij logisch en ik begon over de politieke toestand van ons land. Die werd steeds slechter. De stadhouders die Rome stuurde waren er vooral op uit rijk te worden op kosten van de Joodse bevolking. Florus, die toen stadhouder was, ging daarin wel heel ver. Hij liet iedere crimineel vrijuit gaan, als die maar genoeg geld bood. Ik vroeg Priscus, of hij dacht dat er een opstand zou komen. Hij dacht van wel, maar hij gaf de Joden geen schijn van kans. "Dat is niet omdat jullie niet genoeg soldaten hebben. Die hebben jullie wel, maar omdat jullie geen generaals en geen officieren hebben die verstand hebben van oorlog voeren. Dat heb je ook in Brittannia gezien. Ze hadden daar een koningin Boudicca die in opstand kwam tegen ons. Ze werd verslagen door een Romeins leger dat veel kleiner was dan het hare. Gebrek aan discipline en officieren, want ze waren dapper genoeg". Ik had nog nooit van Boudicca gehoord en vroeg hem: "Zouden we een kans hebben gehad in de tijd van Agrippa?" "De kansen zouden toen veel en veel groter zijn geweest. Agrippa was een goede leider en een slimme man. Er waren toen Joodse officieren die in ieder geval in theorie wisten hoe een oorlog gevoerd moet worden en die de soldaten hadden kunnen trainen. Maar de zaken zijn veranderd. Er zijn geen goede officieren meer en wat erger is: onenigheid en partijstrijd. Jullie hebben geen enkele kans." Ik moest het daar mee eens zijn. |
| Uit hoofdstuk XVI: |
Toen ik bijkwam, was alles donker om mij heen. Ik probeerde mijn armen en benen te bewegen, maar dat ging niet: ik lag
vastgebonden op een soort bed. Mijn hoofd en mijn been deden ook nog pijn en mijn neus jeukte, waar ik dus niet bij kon en
dan ook ik voelde mij allesbehalve gelukkig. Ik nam aan dat rabbi Simon mij had laten ontvoeren en dat hij langs zou komen om van mij te horen waar de kruik was. Als ik dat niet zou willen vertellen had hij nog wel een paar mogelijkheden achter de hand om mij te dwingen. En wat zou hij met mij doen, als hij de documenten had gevonden en ze had vernietigd? Of zou hij ze gewoon houden? Zou hij mij in leven laten? Hij had alle mogelijkheden om me te laten doden zonder daarvoor gestraft te worden. Mijn enige hoop was zijn geweten, de angst dat God hem zou straffen als hij mij zou laten vermoorden. Misschien wist hij zelf nog niet wat hij wilde. Ik vroeg mij ook af, of de overvallers wisten dat Judas in de gang was geweest. Als ze hem niet hadden ontdekt, had hij dan kunnen ontdekken waar ik heen gebracht werd, en zou hij mij kunnen helpen? Zou hij mij willen helpen? En hoeveel wist Judas over de kruik? Zou hij die en de inhoud ervan gaan bekijken nu ik er niet meer was? Zou hij de vertalingen lezen? Misschien werd hij wel heel boos, als hij ontdekte dat ik hem lang niet alles had verteld. En misschien vond hij dan ook dat de documenten vernietigd moesten worden. Terwijl ik zo vastgebonden lag als een offerdier op het altaar (ik hoopte dat mijn lot niet hetzelfde zou zijn) en mij grote zorgen maakte, werd het lichter, en ik zou er achter komen wat de bedoeling was. Maar waarschijnlijk zou die bedoeling weinig bijdragen aan mijn gemoedsrust. |