De koning van Griekenland is dus Alexander de Grote. Twee van de genoemde koninkrijken waren Egypte, dat
Ptolemaeus kreeg, en Klein-Azië, dat
Seleucus kreeg.
Het wordt ook wel Seleucië genoemd. Judea werd een deel van Egypte. Ptolemaeus en Seleucus
voerden vele oorlogen, evenals hun opvolgers, maar het bergland van Judea bleef
lang buiten schot.
Deze oorlogen worden in detail beschreven in Daniël 11. De
inhoud van elk vers kan gekoppeld worden aan een gebeurtenis uit die tijd.
Ik noem een voorbeeld: in vs 6 wordt gezegd: “de dochter van de koning van
het Zuiden zal komen tot de koning van het Noorden“.
De koning van het Zuiden is uiteraard de koning van Egypte, in dit geval
Ptolemaeus II, die zijn dochter
Berenice uithuwelijkt aan
Antiochus II van Seleucië.
In 198 v.Chr. veroverden de Seleuciden Jeruzalem en Judea.
Of zoals Daniël zegt (11:16b): “Hij zal vaste voet krijgen in Sieraadland”
Er werd in een manifest vastgelegd, dat de joodse wetten in Judea zouden blijven
gelden, en dat gebeurde ook. Maar de Seleuciden bevorderden wel de aanpassing
van de Joden aan de Griekse cultuur: theater, sport etc. en een groot deel van
de Joden deed daaraan mee.
In 175 v.Chr. werd
Antiochus Epiphanes koning. Hij was de broer van zijn
voorganger, en eigenlijk had diens zoon koning moeten worden. Maar als regent
zag hij kans zo te manipuleren, dat hij koning werd.
Of zoals Daniël zegt (11:21):” En in zijn plaats zal een veracht man opstaan, wien men
de koninklijke waardigheid niet had toegedacht; onverhoeds zal hij komen, en zich meester maken van
het koningsschap door slinkse streken”
Hij benoemde
Jason tot hogepriester. Om dit te worden had deze
beloofd de hellenistische cultuur te bevorderen. Er werd een theater en een gymnasium (dat
was toen een sportcomplex) gesticht. Een probleem was het feit, dat men toen
naakt aan gymnastiek deed: de besnijdenis viel op. Pogingen om dit te verhullen
vielen bij de vrome Joden niet in goede aarde.
Maar later kocht
Menelaus de koning om, en die benoemde hem tot hogepriester.
Vrome hogepriesters kwamen in die tijd niet voor.
Dit soort zaken was een gruwel in het oog van de vrome Joden, de Chasidiem. Dat
werd nog erger toen de koning in 168 v.Chr. de tempelschatten liet plunderen,
met toestemming van de hogepriester!
Dit geld had hij nodig voor de oorlog tegen Egypte, maar toen hij die gewonnen had,
mocht hij van de Romeinen Egypte niet bezetten. Die stuurden
Laenas als
afgezant, volgens Daniël 11:30 op “schepen der Kittieten”.
Laenas kwam aan wal, en Antiochus moest onmiddellijk beloven dat hij Egypte niet zou
bezetten. Toen hij dat gedaan had, werd het toch nog gezellig, want Laenas en
Antiochus waren vrienden uit de tijd dat Antiochus gijzelaar in Rome was.
De
vader van Antiochus was namelijk verpletterend verslagen
door de Romeinen, en moesten een vreselijk hoge schadevergoeding betalen. Ter meerdere zekerheid
werd Antiochus als gijzelaar mee naar Rome genomen. Gijzelaars hadden in het
algemeen een prettig leven in Rome. Maar ze raakten onder de indruk van de
macht van het Romeinse rijk – Antiochus ook.
De Romeinen wilden Egypte zelfstandig laten, want ze hadden in het Midden-Oosten
liever een aantal kleinere rijken dan één groot.
Jason, de vorige hogepriester, probeerde Jeruzalem te heroveren, maar dat mislukte.
Het leidde er toe, dat Antiochus een einde wilde maken aan de bijzondere
positie van de Joden en Judea.
Of zoals Daniël zegt (11:30):”maar op de terugweg zal hij vergramd worden tegen
het heilig verbond en tot daden overgaan”.
Daarover gaat het volgende stukje.