zaait,:
Dat is, medegedeeld zal hebben zo aan de leraars, waarvan tevoren gesproken is, als aan de armen, waarvan hij in het volgende spreekt; ene gelijkenis, waarmede de overvloedige vrucht der mededeelzaamheid aangewezen wordt. Gelijk uit een graam dat gezaaid wordt, dikwijls honderd wederom opwassen en gemaaid worden; Gen. 26:12. Zie van dezelve 2 Cor. 9:6.