Home Introduction Persons Geogr. Sources Events Mijn blog(Nederlands)
Religion Subjects Images Queries Links Contact Do not fly Iberia
This is a non-commercial site. Any revenues from Google ads are used to improve the site.

Custom Search
Quote of the day: Vitellius, on the contrary, was sunk in
Notes
Display Vulgate text
Display Statenvertaling
The New Testament

Seond letter of Paul to Timotheus Chapter 2
Next chapter
Return to index
Previous chapter
1 Thou [Note 1] therefore, my son, be strong in the grace that is in Christ Jesus.
2 And the things that thou hast heard of me among many witnesses, the same commit thou to faithful men, who shall be able to teach others also.
3 Thou therefore endure hardness, as a good soldier of Jesus Christ.
4 No man that warreth entangleth himself with the affairs of this life; that he may please him who hath chosen him to be a soldier.
5 And if a man also strive for masteries, yet is he not crowned, except he strive lawfully.
6 The husbandman that laboureth must be first partaker of the fruits.
7 Consider what I [Note 1] say; and the Lord give thee understanding in all things.
8 Remember that Jesus Christ of the seed of David was raised from the dead according to my gospel:
9 Wherein I suffer trouble, as an evil doer, even unto bonds; but the word of God is not bound.
10 Therefore I endure all things for the elect's sakes, that they may also obtain the salvation which is in Christ Jesus with eternal glory.
11 It is a faithful saying: For if we be dead with him, we shall also live with him:
12 If we suffer, we shall also reign with him: if we deny him, he also will deny us:
13 If we believe not, yet he abideth faithful: he cannot deny himself.
14 Of these things put them in remembrance, charging them before the Lord that they strive not about words to no profit, but to the subverting of the hearers.
15 Study to shew thyself approved unto God, a workman that needeth not to be ashamed, rightly dividing the word of truth.
16 But shun profane and vain babblings: for they will increase unto more ungodliness.
17 And their word will eat as doth a canker: of whom is Hymenaeus and Philetus;
18 Who concerning the truth have erred, saying that the resurrection is past already; and overthrow the faith of some.
19 Nevertheless the foundation of God standeth sure, having this seal, The Lord knoweth them that are his. And, let every one that nameth the name of Christ depart from iniquity.
20 But in a great house there are not only vessels of gold and of silver, but also of wood and of earth; and some to honour, and some to dishonour.
21 If a man therefore purge himself from these, he shall be a vessel unto honour, sanctified, and meet for the master's use, and prepared unto every good work.
22 Flee also youthful lusts: but follow righteousness, faith, charity, peace, with them that call on the Lord out of a pure heart.
23 But foolish and unlearned questions avoid, knowing that they do gender strifes.
24 And the servant of the Lord must not strive; but be gentle unto all men, apt to teach, patient,
25 In meekness instructing those that oppose themselves; if God peradventure will give them repentance to the acknowledging of the truth;
26 And that they may recover themselves out of the snare of the devil, who are taken captive by him at his will.

Note 1: Thou = Timothy
Note 2: I = Paul

2 Timothëus 2

1Gij dan, mijn zoon, word1) gesterkt2) in de genade,3) die in Christus Jezus is;4)
2En hetgeen gij van mij gehoord hebt onder vele getuigen,5) betrouw dat aan6) getrouwe mensen,7) welke bekwaam zullen zijn8) om ook anderen te leren.
3Gij dan, lijd verdrukkingen, als9) een goed krijgsknecht10) van Jezus Christus.
4Niemand, die in de11) krijg dient, wordt ingewikkeld in de handelingen des leeftochts, opdat hij dien moge behagen, die hem tot den12) krijg aangenomen heeft.
5En indien ook iemand strijdt, die13) wordt niet gekroond,14) zo hij niet wettelijk heeft gestreden.15)
6De landman, als hij16) arbeidt, moet alzo eerst de vruchten genieten.
7Merk, hetgeen ik zeg;17) doch de Heere geve18) u verstand in alle dingen.
8Houd in gedachtenis,19) dat Jezus Christus uit20) de doden is opgewekt, Welke is uit den zade Davids, naar mijn Evangelie;21)
9Om hetwelk ik verdrukkingen22) lijde tot de banden toe,23) als een kwaaddoener;24) maar het Woord Gods is niet gebonden.25)
10Daarom verdraag ik alles om de uitverkorenen,26) opdat ook zij de27) zaligheid zouden verkrijgen, die in Christus Jezus is,28) met eeuwige heerlijkheid.
11Dit is een getrouw woord;29) want indien wij met Hem gestorven zijn,30) zo zullen wij ook met Hem leven;31)
12Indien wij verdragen, wij zullen32) ook met Hem heersen; indien wij33) Hem verloochenen,34) Hij zal ons ook verloochenen;
13Indien wij ontrouw zijn,35) Hij blijft getrouw;36) Hij kan Zichzelven niet verloochenen.37)
14Breng deze dingen in gedachtenis,38) en betuig voor den Heere, dat39) zij geen woordenstrijd voeren,40) hetwelk tot geen ding nut is,41) dan tot verkering der toehoorders.42)
15Benaarstig u, om uzelven Gode beproefd voor te43) stellen, een arbeider,44) die niet beschaamd wordt,45) die het Woord der waarheid46) recht snijdt.47)
16Maar stel u tegen het ongoddelijk ijdelroepen; want zij zullen in meerdere goddeloosheid toenemen.
17En hun48) woord zal49) voorteten, gelijk de50) kanker; onder welke is51) Hymeneus en52) Filetus;
18Die van de waarheid53) zijn afgeweken, zeggende, dat de opstanding alrede geschied is,54) en verkeren sommiger geloof.55)
19Evenwel56) het vaste fondament Gods57) staat, hebbende58) dit zegel: De Heere59) kent degenen, die60) de Zijnen zijn; en: Een iegelijk, die den Naam van Christus noemt,61) sta af van ongerechtigheid.62)
20Doch in een groot huis63) zijn niet alleen gouden en zilveren vaten, maar ook houten en aarden vaten; en sommige ter ere, maar sommige64) ter onere.65)
21Indien dan iemand zichzelven66) van deze67) reinigt, die68) zal een vat zijn ter ere,69) geheiligd en70) bekwaam tot gebruik des Heeren,71) tot alle goed werk72) toebereid.73)
22Maar vlied de begeerlijkheden der74) jonkheid; en jaag naar rechtvaardigheid,75) geloof, liefde, vrede, met degenen, die den76) Heere aanroepen uit een rein hart.
23En verwerp de vragen, die dwaas en77) zonder lering zijn,78) wetende, dat zij twistingen voortbrengen.79)
24En een dienstknecht des Heeren80) moet niet twisten, maar vriendelijk81) zijn jegens allen, bekwaam om te leren, en die de kwaden kan verdragen;82)
25Met zachtmoedigheid onderwijzende degenen, die tegenstaan;83) of hun God te eniger tijd84) bekering gave tot85) erkentenis der waarheid;
26En zij wederom ontwaken mochten86) uit den strik des duivels,87) onder welken zij gevangen waren88) tot zijn wil.89)