Home Introduction Persons Geogr. Sources Events Mijn blog(Nederlands)
Religion Subjects Images Queries Links Contact Do not fly Iberia
This is a non-commercial site. Any revenues from Google ads are used to improve the site.

Custom Search
Quote of the day: Poppaea died from a casual outburst of r
Notes
Display Vulgate text
Display Statenvertaling
The New Testament

Letter of Paul to the Ephesians Chapter 1
Next chapter
Return to index
Previous chapter
1 Paul, an apostle of Jesus Christ by the will of God, to the saints which are at Ephesus, and to the faithful in Christ Jesus:
2 Grace be to you, and peace, from God our Father, and from the Lord Jesus Christ.
3 Blessed be the God and Father of our Lord Jesus Christ, who hath blessed us with all spiritual blessings in heavenly places in Christ:
4 According as he hath chosen us in him before the foundation of the world, that we should be holy and without blame before him in love:
5 Having predestinated us unto the adoption of children by Jesus Christ to himself, according to the good pleasure of his will,
6 To the praise of the glory of his grace, wherein he hath made us accepted in the beloved.
7 In whom we have redemption through his blood, the forgiveness of sins, according to the riches of his grace;
8 Wherein he hath abounded toward us in all wisdom and prudence;
9 Having made known unto us the mystery of his will, according to his good pleasure which he hath purposed in himself:
10 That in the dispensation of the fulness of times he might gather together in one all things in Christ, both which are in heaven, and which are on earth; even in him:
11 In whom also we have obtained an inheritance, being predestinated according to the purpose of him who worketh all things after the counsel of his own will:
12 That we should be to the praise of his glory, who first trusted in Christ.
13 In whom ye also trusted, after that ye heard the word of truth, the gospel of your salvation: in whom also after that ye believed, ye were sealed with that Holy Spirit of promise,
14 Which is the earnest of our inheritance until the redemption of the purchased possession, unto the praise of his glory.
15 Wherefore I also, after I heard of your faith in the Lord Jesus, and love unto all the saints,
16 Cease not to give thanks for you, making mention of you in my prayers;
17 That the God of our Lord Jesus Christ, the Father of glory, may give unto you the spirit of wisdom and revelation in the knowledge of him:
18 The eyes of your understanding being enlightened; that ye may know what is the hope of his calling, and what the riches of the glory of his inheritance in the saints,
19 And what is the exceeding greatness of his power to us-ward who believe, according to the working of his mighty power,
20 Which he wrought in Christ, when he raised him from the dead, and set him at his own right hand in the heavenly places,
21 Far above all principality, and power, and might, and dominion, and every name that is named, not only in this world, but also in that which is to come:
22 And hath put all things under his feet, and gave him to be the head over all things to the Church,
23 Which is his body, the fulness of him that filleth all in all.

Efeziërs 1

1Paulus, een apostel1) van Jezus Christus, door den wil van God, aan de heiligen, die te Efeze zijn, en gelovigen in Christus Jezus:
2Genade zij u en vrede van God, onzen Vader, en den Heere Jezus Christus.
3Gezegend zij3) de God en Vader van4) onzen Heere Jezus Christus, Die ons gezegend heeft met alle geestelijke5) zegening in den hemel6) in Christus.7)
4Gelijk Hij ons uitverkoren heeft8) in Hem,9) voor de grondlegging10) der wereld, opdat wij zouden heilig en11) onberispelijk12) zijn voor Hem in de liefde;13)
5Die ons te voren14) verordineerd heeft tot aanneming tot kinderen, door Jezus Christus, in Zichzelven,15) naar het welbehagen16) van Zijn wil.
6Tot prijs der17) heerlijkheid Zijner genade, door welke Hij ons begenadigd heeft18) in den Geliefde;19)
7In Welken wij20) hebben de verlossing21) door Zijn bloed,22) namelijk de vergeving23) der misdaden, naar den rijkdom Zijner24) genade,
8Met welke Hij overvloedig is25) geweest over ons in alle wijsheid26) en voorzichtigheid;27)
9Ons bekend gemaakt hebbende de verborgenheid28) van Zijn wil, naar Zijn welbehagen, hetwelk Hij voorgenomen had29) in Zichzelven.
10Om in de bedeling30) van de volheid31) der tijden, wederom alles tot een te vergaderen32) in Christus, beide dat in33) den hemel is, en dat op de aarde is;
11In Hem,34) in Welken wij ook een35) erfdeel geworden36) zijn, wij, die te voren37) verordineerd waren naar het voornemen38) Desgenen, Die alle dingen werkt39) naar den raad van Zijn wil;
12Opdat wij zouden zijn tot prijs Zijner heerlijkheid, wij, die eerst40) in Christus gehoopt hebben.41)
13In Welken42) ook gij zijt,43) nadat gij het woord der44) waarheid, namelijk het Evangelie uwer zaligheid gehoord hebt; in Welken gij ook, nadat gij geloofd45) hebt, zijt verzegeld geworden46) met den Heiligen Geest der belofte;47)
14Die het onderpand48) is van onze erfenis, tot de verkregene49) verlossing, tot prijs Zijner heerlijkheid.
15Daarom ook ik, gehoord50) hebbende het geloof in den Heere Jezus, dat onder u is, en de liefde tot al de heiligen,
16Houde niet op voor u te danken, gedenkende uwer in mijn gebeden;
17Opdat de God van onzen Heere Jezus Christus, de Vader der heerlijkheid, u geve den51) Geest der wijsheid en der openbaring in Zijn kennis;52)
18Namelijk verlichte ogen53) uws verstands, opdat gij moogt weten, welke zij de hoop van54) Zijn roeping, en welke de rijkdom zij55) der heerlijkheid van Zijn erfenis in de heiligen;56)
19En welke de uitnemende grootheid Zijner kracht57) zij aan ons, die geloven, naar de werking der sterkte Zijner macht,
20Die Hij gewrocht58) heeft in Christus, als Hij Hem uit de doden heeft opgewekt; en heeft Hem gezet tot Zijn59) rechter hand in den hemel;
21Verre boven60) alle overheid, en macht, en kracht, en heerschappij, en allen naam,61) die genaamd wordt, niet alleen in deze wereld, maar ook in de toekomende;62)
22En heeft alle dingen63) Zijn voeten64) onderworpen, en heeft Hem der Gemeente gegeven tot een Hoofd65) boven alle dingen;
23Welke Zijn lichaam is, en de vervulling66) Desgenen, Die alles in allen vervult.