Home Introduction Persons Geogr. Sources Events Mijn blog(Nederlands)
Religion Subjects Images Queries Links Contact Do not fly Iberia
This is a non-commercial site. Any revenues from Google ads are used to improve the site.

Custom Search
Quote of the day: Was it probable that, when Tiberius with
Notes
Display Vulgate text
Display Statenvertaling
The New Testament

Gospel of Matthew Chapter 6.0
Next chapter
Return to index
Previous chapter
Sermon of the Mount (cont.)

1 Take heed that ye do not your alms before men, to be seen of them: otherwise ye have no reward of your Father which is in heaven.
2 Therefore when thou doest thine alms, do not sound a trumpet before thee, as the hypocrites do in the synagogues and in the streets, that they may have glory of men. Verily I say unto you, They have their reward.
3 But when thou doest alms, let not thy left hand know what thy right hand doeth:
4 That thine alms may be in secret: and thy Father which seeth in secret himself shall reward thee openly.
5 And when thou prayest, thou shalt not be as the hypocrites are: for they love to pray standing in the synagogues and in the corners of the streets, that they may be seen of men. Verily I say unto you, They have their reward.
6 But thou, when thou prayest, enter into thy closet, and when thou hast shut thy door, pray to thy Father which is in secret; and thy Father which seeth in secret shall reward thee openly.
7 But when ye pray, use not vain repetitions, as the heathen do: for they think that they shall be heard for their much speaking.
8 Be not ye therefore like unto them: for your Father knoweth what things ye have need of, before ye ask him.

9 After this manner therefore pray ye:
Our Father which art in heaven, Hallowed be thy name.
10 Thy kingdom come, Thy will be done in earth, as it is in heaven.
11 Give us this day our daily bread.
12 And forgive us our debts, as we forgive our debtors.
13 And lead us not into temptation, but deliver us from evil: For thine is the kingdom, and the power, and the glory, for ever. Amen.
14 For if ye forgive men their trespasses, your heavenly Father will also forgive you:
15 But if ye forgive not men their trespasses, neither will your Father forgive your trespasses.
See also Luke 11:2-4

16 Moreover when ye fast, be not, as the hypocrites, of a sad countenance: for they disfigure their faces, that they may appear unto men to fast. Verily I say unto you, They have their reward.
17 But thou, when thou fastest, anoint thine head, and wash thy face;
18 That thou appear not unto men to fast, but unto thy Father which is in secret: and thy Father, which seeth in secret, shall reward thee openly.

19 Lay not up for yourselves treasures upon earth, where moth and rust doth corrupt, and where thieves break through and steal:
20 But lay up for yourselves treasures in heaven, where neither moth nor rust doth corrupt, and where thieves do not break through nor steal:
21 For where your treasure is, there will your heart be also.
22 The light of the body is the eye: if therefore thine eye be single, thy whole body shall be full of light.
23 But if thine eye be evil, thy whole body shall be full of darkness. If therefore the light that is in thee be darkness, how great is that darkness!
24 No man can serve two masters: for either he will hate the one, and love the other; or else he will hold to the one, and despise the other. Ye cannot serve God and mammon.

25 Therefore I [Note 1] say unto you, Take no thought for your life, what ye shall eat, or what ye shall drink; nor yet for your body, what ye shall put on. Is not the life more than meat, and the body than raiment?
26 Behold the fowls of the air: for they sow not, neither do they reap, nor gather into barns; yet your heavenly Father feedeth them. Are ye not much better than they?
27 Which of you by taking thought can add one cubit unto his stature?
28 And why take ye thought for raiment? Consider the lilies of the field, how they grow; they toil not, neither do they spin:
29 And yet I say unto you, That even Solomon in all his glory was not arrayed like one of these.
30 Wherefore, if God so clothe the grass of the field, which to day is, and to morrow is cast into the oven, shall he not much more clothe you, O ye of little faith?
31 Therefore take no thought, saying, What shall we eat? or, What shall we drink? or, Wherewithal shall we be clothed?
32 (For after all these things do the Gentiles seek:) for your heavenly Father knoweth that ye have need of all these things.
33 But seek ye first the kingdom of God, and his righteousness; and all these things shall be added unto you.
34 Take therefore no thought for the morrow: for the morrow shall take thought for the things of itself. Sufficient unto the day is the evil thereof.

Note 1: I = Jesus

Event: Sermon of the Mount

Matthëus 6

1Hebt acht, dat gij uw aalmoes niet doet voor de mensen,1) om van hen gezien te worden; anders zo hebt gij geen loon bij uw Vader, Die in de hemelen is.
2Wanneer gij dan aalmoes doet, zo laat voor u niet trompetten, gelijk de geveinsden in de synagogen2) en op de straten doen, opdat zij van de mensen geeerd mogen worden. Voorwaar zeg Ik u: Zij hebben hun loon weg.3)
3Maar als gij aalmoes doet, zo laat uw linker hand4) niet weten, wat uw rechter doet;
4Opdat uw aalmoes in het verborgen zij; en uw Vader, Die in het verborgen ziet, Die zal het u in het openbaar vergelden.5)
5En wanneer gij bidt,6) zo zult gij niet zijn gelijk de geveinsden; want die plegen gaarne, in de synagogen7) en op de hoeken der straten staande, te bidden, opdat zij van de mensen mogen gezien worden.8) Voorwaar, Ik zeg u, dat zij hun loon weg hebben.
6Maar gij, wanneer gij bidt, gaat in uw binnenkamer,9) en uw deur gesloten hebbende, bidt uw Vader, Die in het verborgen is; en uw Vader, Die in het verborgen ziet, zal het u in het openbaar vergelden.
7En als gij bidt, zo gebruikt geen ijdel verhaal van woorden,10) gelijk de heidenen; want zij menen, dat zij door hun veelheid van woorden zullen verhoord worden.
8Wordt dan hun niet gelijk; want uw Vader weet, wat gij van node hebt, eer gij Hem bidt.
9Gij dan bidt aldus:11) Onze Vader, Die in de hemelen zijt!12) Uw Naam worde geheiligd.13)
10Uw Koninkrijk14) kome. Uw wil geschiede, gelijk in den hemel15) alzo ook op de aarde.
11Geef ons heden ons dagelijks brood.
12En vergeef ons onze schulden,16) gelijk ook wij vergeven onzen schuldenaren.
13En leid ons niet17) in verzoeking,18) maar verlos ons van den boze. Want Uw is het Koninkrijk, en de kracht, en de heerlijkheid, in der eeuwigheid, amen.19)
14Want indien gij den mensen hun misdaden vergeeft, zo zal uw hemelse Vader ook u vergeven.
15Maar indien gij den mensen hun misdaden niet vergeeft, zo zal ook uw Vader uw misdaden niet vergeven.
16En wanneer gij vast,21) toont geen droevig gezicht, gelijk de geveinsden; want zij mismaken hun aangezichten,22) opdat zij van de mensen mogen gezien worden, als zij vasten. Voorwaar, Ik zeg u, dat zij hun loon weg hebben.
17Maar gij, als gij vast, zalft uw hoofd,23) en wast uw aangezicht;
18Opdat het van de mensen niet gezien worde, als gij vast, maar van uw Vader, Die in het verborgen is; en uw Vader, Die in het verborgen ziet, zal het u in het openbaar vergelden.
19Vergadert u geen schatten op de aarde,24) waar ze de mot en de roest verderft,25) en waar de dieven doorgraven en stelen;
20Maar vergadert u schatten in den hemel, waar ze noch mot noch roest verderft, en waar de dieven niet doorgraven noch stelen;
21Want waar uw schat is, daar zal ook uw hart zijn.
22De kaars des lichaams is het oog;26) indien dan uw oog eenvoudig is, zo zal uw gehele lichaam verlicht wezen;
23Maar indien uw oog boos is,27) zo zal geheel uw lichaam duister zijn. Indien dan het licht, dat in u is, duisternis is, hoe groot zal de duisternis zelve zijn!
24Niemand kan twee heren dienen;28) want of hij zal den enen haten en den anderen liefhebben, of hij zal den enen aanhangen29) en den anderen verachten; gij kunt niet God dienen en den Mammon.30)
25Daarom zeg Ik u: Zijt niet bezorgd31) voor uw leven,32) wat gij eten, en wat gij drinken zult; noch voor uw lichaam, waarmede gij u kleden zult; is het leven niet meer dan het voedsel, en het lichaam dan de kleding?
26Aanziet de vogelen des hemels,33) dat zij niet zaaien, noch maaien, noch verzamelen in de schuren; en uw hemelse Vader voedt nochtans dezelve; gaat gij dezelve niet zeer veel te boven?34)
27Wie toch van u kan, met bezorgd te zijn, een el tot zijn lengte toedoen?
28En wat zijt gij bezorgd voor de kleding? Aanmerkt de lelien des velds, hoe zij wassen; zij arbeiden niet, en spinnen niet;
29En Ik zeg u, dat ook Salomo, in al zijn heerlijkheid36), niet is bekleed geweest, gelijk een van deze.
30Indien nu God het gras des velds, dat heden is, en morgen in den oven geworpen wordt,37) alzo bekleedt, zal Hij u niet veel meer kleden, gij kleingelovigen?
31Daarom zijt niet bezorgd, zeggende: Wat zullen wij eten, of wat zullen wij drinken, of waarmede zullen wij ons kleden?
32Want al deze dingen zoeken de heidenen;38) want uw hemelse Vader weet, dat gij al deze dingen behoeft.
33Maar zoekt eerst het Koninkrijk Gods en Zijn gerechtigheid,39) en al deze dingen zullen u toegeworpen worden.40)
34Zijt dan niet bezorgd tegen den morgen; want de morgen zal voor het zijne zorgen; elke dag heeft genoeg aan zijn zelfs kwaad.41)