Home Introduction Persons Geogr. Sources Events Mijn blog(Nederlands)
Religion Subjects Images Queries Links Contact Do not fly Iberia
This is a non-commercial site. Any revenues from Google ads are used to improve the site.

Custom Search
Quote of the day: When Scipio was called on for his opinio
Notes
Display Latin text
Display Dutch text


Ovid XIII Chapter 15: 898-968 Glaucus tells Scylla of his transformation
Next chapter
Return to index
Previous chapter
Galatea finished speaking and the group of Nereids went away, swimming through the placid waves. Scylla returned to the beach, not daring to trust herself to mid-ocean, and either wandered naked along the parched sand, or, when she was tired, found a remote, sheltered pool, and cooled her limbs in its enclosed waters. See, Glaucus comes, skimming the water, a new inhabitant of the sea, his form recently altered, at Anthedon opposite Euboea. Seeing the girl, he stood still, desiring her, and said whatever he thought might stop her running away. Nevertheless she ran, and, with the swiftness of fear, came to the top of a mountain standing near the shore. It faced the wide sea, rising to a single peak, its wooded summit leaning far out over the water. Here she stopped, and from a place of safety, marvelled at his colour; the hair that hid his shoulders and covered his back; and his groin below that merged into a winding fish's tail; she not knowing whether he was god or monster. He saw her, and, leaning on a rock that stood nearby, he said: 'Girl, I am no freak or wild creature, but a god of the sea. Proteus, Triton, or Palaemon son of Athamas, have no greater power in the ocean. Mortal once, but no doubt destined for the deep, even then I worked the waves: now drawing in the drag nets full of fish, now sitting on a rock, casting, with rod and line. There is a beach, bounded by a green field, one side bordered by sea, the other by grass, that horned cattle have not damaged by grazing, that placid sheep or shaggy goats have not cropped. No bees intent on gathering pollen plundered the flowers there; no garlands came from there for the heads of revellers; no one had ever mown it, scythe in hand. I was the first to sit there on the turf, drying my sea-soaked lines, and laying out in order the fish I had caught, to count them, that either chance or innocence had brought to my curved hook. This will sound like a tale, but what would I get from lying? Touching the grass, my catch began to stir, and shift about, and swim over land as if they were in the sea. While I hesitated and wondered, the complete shoal fled into their native waters, leaving behind their new master, their new land. I stood dumbfounded, for a while not believing it, searching for the cause. Had some god done it, or the juice of some herb? "Yet what herb has such power?" I asked, and gathering some herbage in my hand, I bit what I had gathered with my teeth. My throat had scarcely swallowed the strange juice, when suddenly I felt my heart trembling inside me, my breast seized with yearning for that other element. Unable to hold out for long, crying out: "Land, I will never return to, goodbye!" I immersed my body in the sea. The gods of the sea received me, thinking me worth the honour of their company, and asked Oceanus and Tethys to purge what was mortal in me. I was purified by them, and, cleansed of sin by an incantation nine times repeated, they ordered me to bathe my body in a hundred rivers. Immediately streams from every side poured their waters over my head. So much I can tell of you of those marvelous things, so much of them I remember: then my mind knew no more. When later I came to, my whole body was altered from what I was before, and my mind was not the same. Then I saw, for the first time, this dark green beard, my hair that sweeps the wide sea, these giant shoulders and dusky arms, these legs that curve below into a fish's fins. Yet what use is this shape, or that I was pleasing to the ocean gods? What use is it to be a god, if these things do not move you?' As the god spoke these words, looking to say more, Scylla abandoned him. Then Glaucus, maddened, and angered by her rejection, sought the wondrous halls of Circe, daughter of the Sun.

Event: Glaucus, Scylla and Circe

De nimfen zwommen weg in de kalme golfslag toen Galatea haar verhaal verteld had. Scylla die de diepe zee vreesde, wandelde op het strand waar ze naakt bleef ronddwalen en af en toe verfrissing zocht in een stille inham van de kust.

Vanuit de diepe zee verscheen Glaucus, een nieuwe zeebewoner, die onlangs in Athedon bij Euboea in een zeegod was veranderd. Hij werd hopeloos verliefd toen hij Scylla zag, maar zij rende weg uit angst, ondanks zijn geruststellende woorden; ze zocht een toevlucht op een hoge berg bij de kust. De top van deze berg stak als een spitse punt boven het zee-oppervlak uit en de met bomen begroeide helling liep af naar de zee. Ze voelde zich daar veilig en bleef staan. Van daaruit keek ze verwonderd naar de verschijning waarvan ze niet wist of het een monster of godheid was.

Ze zag zijn kleur en zijn haar dat zijn schouders bedekte; ze zag een vissenstaart die heen en weer sloeg en die zijn onderlijf vormde. Glaucus leunde op een nabij gelegen rots, voelde haar blik en riep: "Ik ben geen monster en ook geen woedend ondier, meisje lief. Ik ben een watergod die evenveel kracht bezit als Proteus of Triton. Ik ben ook een mens geweest maar ik was blijkbaar voorbestemd om in de diepe zee te leven; ook als mens was de zee mijn leven, ik werkte alleen op zee. Daar trok ik mijn netten naar de kust of wierp ik mijn hengelsnoer in zee van op een rots.

Naast die rots lag aan de ene kant een strand dat aan een groene weide grenst; daar groeiden kruiden waarvan nog nooit een koe, een schaapje of een bokje geproefd had; daar had geen bij naar honing gezocht, daar waren nooit bloemen voor een krans geplukt, daar had geen mens een kapmes gehanteerd.

Terwijl mijn vistuig daar lag te drogen, was ik de eerste die de weide betrad. Ik haalde mijn vis uit mijn netten. De ene stapel had ik met mijn net gevangen, de andere had ik met mijn hengel bovengehaald.

Wat toen gebeurde vond ik verdacht, maar daar heb ik nu niets meer aan. Terwijl mijn vangst op het gras lag, begonnen de vissen te glijden, te draaien en te kronkelen op de grond alsof ze in zee zaten. Ik zag mijn hele vangst in zee verdwijnen; ik stond versteld toe te kijken. Toen de vis verdwenen was, vroeg ik me af of er hier een god of toverkruid aan het werk was geweest. Maar ik twijfelde of een kruid zoveel kracht kon bezitten om dit te laten gebeuren; zo stond ik daar nog lang te twijfelen.

Toen plukte ik een handvol gras en zette er mijn tanden in. Nauwelijks had ik de onbekende sappen geproefd of ik voelde een brandend verlangen naar een ander element: water! Blijven staan was onmogelijk; ik riep de kuststreek vaarwel toe en zei: ‘Ik keer hier niet meer terug!’ Dan sprong ik in de diepe zee en liet me door de golven omringen.

De goden namen mij op in hun gezelschap en vroegen Tethys en Oceanus mij van mijn sterfelijkheid te verlossen, wat ik een grote eer vond. Mijn mens-zijn werd me ontnomen door een spreuk die negenmaal werd uitgesproken; daarna kreeg ik de opdracht me in honderd stromen te wassen; onmiddellijk stroomden de rivieren van overal toe om me met hun water te overdekken.

Meer kan ik je niet vertellen want toen verloor ik het bewustzijn. Wat ik je wel nog kan vertellen: na mijn terugkeer voelde ik dat ik iemand anders geworden was, dat mijn geest iemand anders toebehoorde. En als je nu kijkt naar mij, zie je wat ik zag: deze zeewiergroene baard, al dit haar dat ik ver achter mij meesleep over de zee, mijn reusachtige schouders, mijn zilverblauwe armen en mijn voeten die omgebogen zijn tot een vissenstaart. Maar wat ben ik met dit alles, dit lichaam, deze goddelijkheid? Dat betekent niets als jij niet om me geeft!"

Maar Scylla vluchtte voor de god die deze woorden had gesproken en nog zoveel wou zeggen. Boos en bitter om Scylla’s onwil trok Glaucus naar het huis van de tovenares Circe, de titanendochter.