Home Introduction Persons Geogr. Sources Events Mijn blog(Nederlands)
Religion Subjects Images Queries Links Contact Do not fly Iberia
This is a non-commercial site. Any revenues from Google ads are used to improve the site.

Custom Search
Quote of the day: Against Falanius it was alleged by his a
Notes
Display Latin text
Display Dutch text


Ovid XIV Chapter 5: 223-319 Ulysses and Circe
Next chapter
Return to index
Previous chapter
Macareus spoke of how Aeolus ruled the Tuscan deep, Aeolus son of Hippotes, imprisoning the winds. Ulysses, the Dulichian leader, had received them from him, an amazing gift, fastened up, in a bull's hide bag. Sailing for nine days, with a favourable wind, Ulysses and his crew spied the homelands they sought, but when the tenth morning came, his comrades were conquered by greed and desire for their share: thinking the bag contained gold, they loosened the strings that tied up the winds. The ship was blown back over the waters, through which they had come, and, once more, entered king Aeolus's harbour. 'From there,' Macareus said, 'we came to the ancient city of Lamus, of the Laestrygonians: Antiphates was now king in that land. I was sent to him with two companions. One of my friends and myself, fleeing, barely reached safety. The third reddened the Laestrygonians' evil mouths with his blood. Antiphates chased us as we ran for it, urging his men on. They rushed us, hurling rocks and tree-trunks, drowning the men, and sinking the ships. The one which Ulysses himself, and I sailed in, escaped. Mourning our lost companions, lamenting greatly, we came to that land you see, in the distance, (believe me the island I saw is best seen from a distance!) and I warn you, O most virtuous of Trojans, son of the goddess, (since the war is over now, I will not treat you as an enemy, Aeneas) shun the shores of Circe! We, likewise, beaching our vessel, refused to go on, remembering Antiphates, and savage Cyclops: but we were chosen by lot to explore the unknown place. I, and the loyal Polites, and also Eurylochus, and Elpenor, too fond of wine, and eighteen others of my comrades, were sent within Circe's walls. We had no sooner arrived, and were standing on the threshold of her courts, when a thousand wolves, and mixed with the wolves, she-bears and lionesses rushed at us, filling us with terror. But there was nothing to be afraid of none of them gave our bodies a single scratch. Why they even wagged their tails in the air with affection, and fawned on us, as they followed our footsteps, until female servants received us, and led us, through halls covered with marble, to their mistress. She sat in a lovely inner room on her sacred throne, wearing a shining robe, covered over with a gold-embroidered veil. Nereids and nymphs were with her, who do not work wool with nimble fingers, nor, then, spin the thread: they arrange herbs, scattered without order, separating flowers and grasses of various colours, into baskets. She herself directs the work they do: she herself knows the use of each leaf, which kinds mix in harmony, examines them, and pays attention to the weighing of the herbs. When she saw us, and words of welcome had been received, she smiled at us, and seemed to give a blessing to our desires. Without delay she ordered a drink to be blended, of malted barley, honey, strong wine, and curdled milk, to which she secretly added juices, that its sweetness would hide. We took the cup offered by her sacred hand. As soon as we had drained it, thirstily, with parched lips, the dread goddess touched the top of our hair with her wand, and then (I am ashamed, but I will tell you) I began to bristle with hair, unable to speak now, giving out hoarse grunts instead of words, and to fall forward, completely facing the ground. I felt my mouth stiffening into a long snout, my neck swelling with brawn, and I made tracks on the ground, with the parts that had just now lifted the cup to my mouth. I was shut in a sty with the others in the same state (so much can magic drugs achieve!) We saw that only Eurylochus had escaped the transformation: the only one to avoid the proffered cup. If he had not refused, I would even now be one of the bristly herd, since Ulysses would not have heard of our plight from him, or come to Circe, as our avenger. Peace-loving Cyllenian Mercury had given him the white flower, the gods call moly, that springs from a black root. With this, and divine warnings, he entered Circe's house in safety, and, when he was asked to drink from the fateful cup, he struck aside the wand, with which she tried to stroke his hair, and scared off the frightened goddess, with drawn sword. Then they gave their right hands to each other, as a pledge of good faith, and after being received into her bed as her husband, he asked for his friends true bodies to be restored, as a wedding gift. We were sprinkled with the more virtuous juices of unknown herbs, our heads were stroked with the wand reversed, and the words, she had said, were pronounced, with the words said backwards. The more words she spoke, the more we stood erect, lifted from the ground. Our bristles fell away, our cloven hoofs lost their cleft, our shoulders reappeared, and below them were our upper and lower arms. Weeping we embraced him, as he wept himself, and clung to our leader's neck, and nothing was said until we had testified to our gratitude. We stayed there for a year, and, in that length of time, I saw and heard many things. Here is one told me, in secret, by one of the four female servants, dedicated to those earlier tasks. While Circe was tarrying alone with our leader, the girl showed me the statue of a young man [Note 1], carved out of snow-white marble, with a woodpecker's head on top. It stood in a holy temple, distinguished by many wreaths. I asked, as I wished to know, who it was, and why he was worshipped in a holy temple, and why he bore a bird's head. She said "Listen, Macareus, and learn, as well, how great is my mistress's power: keep your mind on my words!"

Note 1: young man = Picus

Events: Odysseus and Circe, Odysseus and the Laestrygonians

Macareus vertelde hoe Aeolus, Hippotes’ zoon en heerser over de Tyrrheense wateren, de winden goed in de hand hield, maar een opmerkelijk geschenk (een leren zak vol winden) had meegegeven aan Odysseus. Negen dagen lang werd hij voorspoedig voort geblazen: het begeerde land kwam in zicht. Maar toen Aurora voor de tiende maal verscheen, kregen de mannen last van jaloezie en roofzucht: menend dat er geld of goud in die zak zat, maakten ze de zak open…

Waarna het schip over diezelfde golven werd teruggedreven naar de baai van de windgod Aeolus. "Daarna", zo ging hij verder, "bereikten we de oude stad van de Laestrygoniërs, gesticht door Lamusen en geregeerd door Antiphates. Ik werd naar hem gestuurd met nog twee mannen. Een is op het nippertje ontkomen, net als ik, maar onze derde man heeft met zijn bloed de wrede mond van zo’n Laestrygoniër besmeurd! Antiphates zat ons op onze vlucht dicht op de hielen en zijn leger haalde ons in. Ze gooiden met bomen en stenen naar de vloot en bracht schip na schip tot zinken. Slechts een schip, dat van Odysseus en mijzelf, ontkwam…

We treurden nog over het verlies van zoveel makkers en klaagden voortdurend toen we daar landden", en hij wees naar het eiland… "Je ziet dat eiland in de verte… Geloof me maar - want ik zag het zelf - het is een eiland waar je nooit wil komen! Zelfs Aeneas, al is hij nog zo’n edele Trojaan en Venus’ zoon, geef ik de raad - want nu het vrede is, heet hij geen vijand: blijf weg van Circe’s kust!

Ook wij lagen daar voor anker, maar we dachten aan Antiphates en de Cycloop en wilden liever niet aan land gaan. Er werd geloot wie naar haar paleis zou gaan om te verkennen, en het lot zond mij, mijn vriend Polites, Eurylochus samen met nog achttien man - bij wie die dronkelap Elpenor - naar Circe’s woning. Toen we het huis bereikten en daar bij de poort stonden, maakten wel duizend beren, leeuwen, wolven en wolvinnen ons bang. Ze kwamen rennend op ons af. Maar geen ervan bedreigde ons of wou zijn tanden in ons zetten, integendeel, zij kwispelden vriendelijk met hun staarten. Ze bleven naast ons lopen tot wij door dienaressen werden opgewacht.

Deze begeleidden ons door een hoge marmeren hal naar een zaal waar hun meesteres plechtig op de troon zat. Een glanzend kleed hing van haar schouders, daaroverheen een gouden sluier. Nimfen en Nereďden zaten bij haar, maar niet om met bedreven vingers vol wol te spinnen. Nee: ze sorteerden grassen, bloemen en kruiden, bont van kleur en ordeloos vergaard, die zij verdeelden over mandjes en Circe zelf hield toezicht op het werk: zij was het, die de kracht van elk plantje en de beste combinaties verstond. Nauwlettend wees zij elk haar kruidenportie toe.

Toen zij ons zag, werden er eerst begroetingen gewisseld, haar blik leek zeer vriendelijk en haar woorden gaven goede hoop… Zij liet dadelijk een mengsel van gebrande gerstekorrels, krachtige wijn, kaas en honing roeren, voegde daar een toversap aan toe dat in die zoete drank niet kon geproefd worden. Ieder van ons kreeg uit haar godenhand een beker.

We waren uitgedroogd en dronken gretig, maar zij, de wrede nimf, tikte op ons hoofd met haar staf en tot mijn schaamte - maar ik zeg het toch - groeiden daar stekels uit. Ik kon niet meer spreken, rauw geknor in de plaats van taal kwam uit mijn mond. Ik hield mijn hoofd nu helemaal omlaag voelde mijn mond verharden tot een bolle snuit, mijn nek zwol op van de spieren en mijn handen, die net nog de beker vasthielden, bewoog ik nu als poten. Zo verging het ook met mijn makkers - dat was de kracht van het tovermiddel! Wij werden in een hok geduwd. Alleen Eurylochus, zo zagen we, kreeg niet die zwijnenvorm: hij had als enige de beker geweigerd. Was dat niet gebeurd, dan was ik nog steeds een stekelzwijn… Odysseus had dan nooit door hem ons lot gehoord en was ons nooit komen wreken.

Mercurius, de god die de mensen rust brengt, had hem een wit plantje met zwarte wortels toevertrouwd. Door de god beschermd betrad hij Circe’s huis, waar hij verwelkomd werd met een toverdrank. Toen ze met haar staf zijn hoofd wou raken, duwde hij haar weg en trok zijn zwaard, wat haar hevig deed schrikken. Daarna verzoenden ze zich en zij nodigde hem zelfs uit in bed; in ruil daarvoor vroeg hij haar echter zijn vrienden terug!

Die vrienden werden bespat met een onbekend kruidensap, ze tikte hen op het hoofd met de onderkant van haar staf en nieuwe toverwoorden klonken tegen oude toverklanken… Hoe langer zij zong, hoe meer we ons van de grond oprichtten, ons borstelhaar viel uit, onze gespleten hoeven verdwenen, we kregen opnieuw schouders, onze korte poten werden weer lange armen, die we huilend om de schouders van de huilende Odysseus sloegen en onze eerste woorden waren er van dank en blijdschap.

We bleven bijna een jaar bij Circe en in die tijd had ik veel vernomen door te zien en te luisteren. Het volgende werd me bijvoorbeeld in het geheim verteld door een van de vier dienaressen die altijd hielpen bij het toveren (terwijl Circe zich had afgezonderd met Odysseus): het meisje liet hem een uit sneeuwwit marmer vervaardigd beeld van een jongeman zien dat in een kapel stond. Het beeld had een specht op z’n hoofd en had opmerkelijk veel kransen.

Uit nieuwsgierigheid vroeg hij wie dat wel was, waarom hij daar in een kapel vereerd werd en waarom die vogel op z’n hoofd zat. Toen antwoordde ze: ‘Luister, Macareus, dan kom je te weten hoeveel kracht mijn meesteres heeft.