Home Introduction Persons Geogr. Sources Events Mijn blog(Nederlands)
Religion Subjects Images Queries Links Contact Do not fly Iberia
This is a non-commercial site. Any revenues from Google ads are used to improve the site.

Custom Search
Quote of the day: Flattery there was none, for all knew th
Notes
Display Latin text
Display Dutch text


Ovid XIV Chapter 6: 320-396 The transformation of Picus
Next chapter
Return to index
Previous chapter
' " Picus the son of Saturn, was king in the land of Ausonia, and loved horses trained for war. The hero's appearance was as you see it there. Though, if you looked at his beauty itself, you would approve the true and not the imaginary form. His spirit equalled his looks. In age, he had not yet seen four of the five-yearly Games at Elis in Greece. He had turned the heads of the dryads born on the hills of Latium: the nymphs of the fountains pursued him, and the naiads; those that live in the Tiber; and in the River Numicius; in Anio's streams; and the brief course of the Almo; the rushing Nar; and Farfar of dense shadows; and those who haunt the wooded pool of Scythian Diana, and its neighbouring lakes. But, spurning them all, he loved one nymph alone, whom, it is said, Venilia once bore, on the Palatine hill, to two-faced Janus. She, when she had grown to marriageable age, was given to Picus of Laurentum, preferred of all her suitors. She was of rare beauty, but rarer her gift of song, so that she was called Canens. She could move the rocks and trees with her singing, make wild beasts gentle, halt wide rivers, and detain the wandering birds. One day when she was singing her song, with a girl's expressiveness, Picus left home to hunt the native wild boar, in the Laurentian fields. Astride the back of an eager mount, he carried two hunting spears in his left hand, and wore a Greek military cloak, dyed crimson, fastened with a golden brooch. Sol's daughter had come to those same woods, leaving the fields, called Circean from her name, to cull fresh herbs in the fertile hills. As soon as she saw the youth from the cover of a thicket, she was stunned: the herbs she had culled fell from her hand, and flames seemed to reach to her very marrow. As soon as she had recovered rational thought after the wave of passion, she wanted to own to her desires, but she could not reach him, because of his horse's speed, and his crowd of companions. 'Though the wind take you, you will not escape,' she cried, 'if I know my skill, if the power of herbs has not completely vanished, and my incantations do not fail.' Saying this, she conjured up a bodiless phantom boar, and commanded it to cross under the king's very eyes, and seem to enter a dense grove of trees, where the woods were thickest, and the place was impenetrable to horses. Instantly, and unwittingly, without a moment's delay, Picus, followed his shadowy prey, and, quickly leaping from the back of his foaming mount, he roamed, on foot, through the deep wood, chasing an empty promise. Circe recited curses, and spoke magic words, worshipping unknown gods, with unknown incantations, by which she used to dim the face of the bright moon, and veil her father's orb, with moisture-loving cloud. Now, also, by her song, the sky is darkened, and the earth breathes out fog, and his companions wander on blind trails, and the king's protection is lost. Having made the time and place, she says: 'O, by those eyes, that have captured mine, and by that beauty, most handsome of youths, that has made a goddess suppliant to you, think of my passion, and accept the sun, who sees all things, as your father-in-law [Note 1]. Do not, unfeelingly, despise Circe, daughter of Titan.' She spoke: he fiercely rejected her and her entreaties, and said: 'Whoever you may be, I am not for you. Another has captured my love and holds me, and I hope she will hold me forever. While the Fates guard Canens, Janus's daughter, for me, I will not harm our bond of affection by an alien love. Repeating her entreaties, time and again, in vain, Circe cried: 'You will not go unpunished, or return to your Canens, and you will learn the truth of what the wounded; a lover; a woman, can do: and Circe is a lover; is wounded; is a woman!' Then twice to the west, twice to the east, she turned; thrice touched the youth with her wand, thrice spoke an incantation. He ran, but was surprised to find himself running faster than before: he saw wings appear on his body. Angered at his sudden transformation to a strange bird in the woods of Latium, he pecked at the rough oak wood with his hard beak, and in fury wounded the long branches. The feathers of his crown and nape took on the colour of his crimson cloak, and what had been a golden brooch, pinning his clothes, became plumage, and his neck was surrounded behind by green-gold. Nothing was left to Picus of his former being, except his name."

Note 1: father-in-law = Sol

Event: Picus and Circe

Picus, Saturnus’ zoon, was koning van Ausonië; hij was ook een grote paardenkenner, die deze dieren trainde voor gevechten. Hij was even mooi als zijn beeld hier, je kunt zijn schoonheid zelfs proeven uit die nagebootste vormen, en zijn karakter was even mooi. Wat zijn leeftijd betreft: hij had nog geen vierde lustrum van de Spelen in Olympia beleefd. In het heuvelland van Latium trok hij de aandacht van de dryaden; najaden begeerden hem! Maar hij gaf om geen een van hen, hij eerde slechts een nimf: de dochter van Janus en Venilia die, zo wordt toch gezegd, op de Palatijn geboren is. Dit meisje, rijp en huwbaar, koos uit alle kandidaten voor Picus van Laurentium. Haar schoonheid viel op, maar haar zangtalent was nog opvallender; haar naam was niet voor niets Canens... Door haar gezang kwamen bossen en rotsen in beweging, bracht ze wilde dieren tot rust en stopte ze rivieren in hun loop en vogels in hun vlucht.

Maar op een dag, toen ze thuis met hoge stem haar zangkunst beoefende, was Picus in het Laurentijns gebied op jacht gegaan naar wilde zwijnen; hij mende zijn vurig paard, hield in z’n linkerhand twee speren vast en droeg een purperrode mantel met een gouden gesp. Juist op dat moment had Circe, de dochter van de Zon, de naar haar genoemde kaap verlaten en was in diezelfde bosstreek, dat rijkbegroeide heuvelland, op zoek gegaan naar verse kruiden.

Toen ze vanuit het dichte groen de man in ’t oog kreeg, voelde ze zich plots als het ware verlamd, haar kruidenbundels vielen op de grond; ze voelde zich vanbinnen branden en toen ze tot bezinning kwam na die eerste felle brand, wou ze hem haar liefde tonen, maar door zijn snelle paard en zijn jachtgezelschap werd hij steeds meer onbenaderbaar. Maar, dacht zij: «Zelfs al jaag je met de stormwind, mij ontkom je niet meer, als ik mezelf goed ken, als mijn kruiden maar hun kracht behouden en als mijn toverspreuken goed hun werk doen!».

Na deze woorden toverde zij een schijnbeeld van een everzwijn en laat dat vlak voor Picus’ ogen wegrennen naar een stuk dichtbegroeid bos, donker door al de bomen en voor paarden ondoordringbaar. Picus zette, niets vermoedend, de achtervolging op het schijnbeeld in, sprong ijlings van zijn paard dat hij daar schuimend achterliet, en volgde te voet, tussen het hoog kreupelhout, een ijdel spoor.

Ondertussen sprak Circe wensformules en gebeden, riep onbekende goden aan in een geheime zang, woorden waarmee zij ook de bleke maan kon laten vertrekken of haar vaders zonnenhoofd kon bedekken achter regenwolken. Ook nu trok de lucht dicht door haar gezang, er kwamen nevels uit de aarde, de jagers doolden rond in duisternis, de koning raakte afgezonderd van zijn lijfwacht…

En toen zij meester was van plaats en tijd, riep ze hem toe: «Jij die een schoonheid hebt die mij doet knielen - die een godin doet knielen! - en ogen die de mijne vasthouden, ik smeek je, gun mij mijn liefste wens: huw met de dochter van de allesziende Titaan, de Zon, en wijs mij, Circe, niet hardvochtig af!’ Zo sprak ze, maar hij wou noch haar noch haar gebeden horen en riep: «Wie je ook bent, ik ben de jouwe niet! Een ander bezit mijn hart en mag dat nog heel lang bezitten, hoop ik. Zolang ik nog met Janus’ dochter Canens leven mag, wil ik mijn huwelijkstrouw niet schenden met verboden liefde.»

«Dan zul je» riep Circe na herhaald en tevergeefs gesmeek, «je straf nog voelen: je keert niet terug bij Canens! Voel maar wat een vrouw kan doen als ze in haar liefde gekrenkt wordt!» Zij boog zich tweemaal naar het westen, tweemaal naar het oosten, sloeg Picus driemaal met haar staf en sprak drie spreuken uit. Hij rende snel weg, was zelf verbaasd dat hij veel sneller liep dan normaal, zag veren aan z’n lichaam groeien en uit protest dat hij een nieuwe vogelsoort in de Latijnse bossen moest zijn, pikte hij woedend met zijn harde snavel in ’t ruwe hout en deed de lange takken pijn. Zijn veren behielden de purperen glans van zijn mantel, de gouden gesp, die daardoorheen gestoken zat, was nu een pluim en rond zijn hals liep nog een blonde goudrand, maar verder restte er van de oude Picus slechts zijn naam.