Home Introduction Persons Geogr. Sources Events Mijn blog(Nederlands)
Religion Subjects Images Queries Links Contact Do not fly Iberia
This is a non-commercial site. Any revenues from Google ads are used to improve the site.

Custom Search
Quote of the day: At the same moment he embraced the young
Notes
Display Latin text
Display Dutch text


Ovid XIV Chapter 17: 698-771 Anaxarete and Iphis
Next chapter
Return to index
Previous chapter
'Once, Iphis, a youth, born of humble stock, saw noble Anaxarete, of the blood of Teucer, saw her, and felt the fire of passion in every bone. He fought it for a long time, but when he could not conquer his madness by reason, he came begging at her threshold. Now he would confess his sorry love to her nurse, asking her not to be hard on him, by the hopes she had for her darling. At other times he flattered each of her many attendants, with enticing words, seeking their favourable disposition. Often he gave them messages to carry to her, in the form of fawning letters. Sometimes he hung garlands on her doorpost wet with his tears, and lay with his soft flank on the hard threshold, complaining at the pitiless bolts barring the way. But she spurned, and mocked, him, crueler than the surging sea, when the Kids set; harder than steel tempered in the fires of Noricum; or natural rock still rooted to its bed. And she added proud, insolent words to harsh actions, robbing her lover of hope, as well. Unable to endure the pain of his long torment, Iphis spoke these last words before her door. "You have conquered, Anaxarete, and you will not have to suffer any tedium on my account. Devise glad triumphs, and sing the Paean of victory, and wreathe your brow with shining laurel! You have conquered, and I die gladly: now, heart of steel, rejoice! Now you will have something to praise about my love, something that pleases you. Remember that my love for you did not end before life itself, and that I lose twin lights in one. No mere rumour will come to you to announce my death: have no doubt, I myself will be there, visibly present, so you can feast your savage eyes on my lifeless corpse. Yet, if you, O gods, see what mortals do, let me be remembered (my tongue can bear to ask for nothing more), and suffer my tale to be told, in future ages, and grant, to my fame, the years, you have taken from my life." He spoke, and lifted his tear-filled eyes to the doorposts he had often crowned with flowery garlands, and, raising his pale arms to them, tied a rope to the cross-beam, saying: "This wreath will please you, cruel and wicked, as you are!" Then he thrust his head in the noose, though, as he hung there, a pitiful burden, his windpipe crushed, even then he turned towards her. The drumming of his feet seemed to sound a request to enter, and when the door was opened it revealed what he had done. The servants shrieked, and lifted him down, but in vain. Then they carried his body to his mother's house (since his father was dead). She took him to her breast, and embraced her son's cold limbs, and when she had said all the words a distraught father could say, and done the things distraught mothers do, weeping, she led his funeral procession through the heart of the city, carrying the pallid corpse, on a bier, to the pyre. The sound of mourning rose to the ears of stony-hearted Anaxarete, her house chancing to be near the street, where the sad procession passed. Now a vengeful god roused her. Still, she was roused, and said: "Let us see this miserable funeral" and went to a rooftop room with open windows. She had barely looked at Iphis, lying on the bier, when her eyes grew fixed, and the warm blood left her pallid body. Trying to step backwards she was rooted: trying to turn her face away, also, she could not. Gradually the stone that had long existed in her heart possessed her body. If you think this is only a tale, Salamis still preserves the image of the lady as a statue, and also possesses a temple of Gazing Venus. Remember all this, O nymph of mine: put aside, I beg you, reluctant pride, and yield to your lover. Then the frost will not sear your apples in the bud, nor the storm winds scatter them in flower.' When Vertumnus, the god, disguised in the shape of the old woman, had spoken, but to no effect, he went back to being a youth, and threw off the dress of an old woman, and appeared to Pomona, in the glowing likeness of the sun, when it overcomes contending clouds, and shines out, unopposed. He was ready to force her: but no force was needed, and the nymph captivated by the form of the god, felt a mutual passion.

Events: Vertumnus and Pomona, Iphis and Anaxarete

Iphis, een zoon van arme ouders, had Anaxarete, de dochter van het adellijke geslacht Teucer, gezien. Dat had hem een liefdegloed door heel zijn lichaam gejaagd… Hij dacht lang na; niet in staat om zijn hartstocht te bedwingen ging hij nederig tot aan haar poort. Hij praatte er met de opvoedster, smeekte om niet hard voor hem zijn omdat het om de toekomst van het meisje ging. Hij vroeg ook vleiend maar toch met aandrang aan haar dienaressen om hem een paar gunsten te verlenen, en liet hen dan voortdurend liefdesbrieven aan haar brengen…

Soms hing hij bloemenkransen, vochtig van zijn tranen, hoog aan haar deurpost, zakte daarna zachtjes opzij tegen de stenen drempel, scheldend op die onbarmhartige deur. Maar wreder nog dan het golfgeweld wanneer de Wagenmenner gaat dalen, harder nog dan ijzer dat in vuur gestaald is, dan natuursteen dat diep in de bodem vastzit, lachte zij hem uit! Ze wees hem minachtend af en vergrootte haar hardheid nog met boze, trotse taal waarmee ze haar minnaar elke hoop ontnam. Iphis, niet opgewassen tegen het voortdurend folterend verdriet, nam voor haar deur met deze woorden afscheid:

‘Je wint, Anaxarete, nu hoef je nooit meer haat voor mij te voelen! Vier maar vrolijk feest, zing voor Apollo je zegelied en krans je hoofd met stralende laurier! Jij wint, ik kies de dood. Je stalen hart kan nu blij zijn en ongetwijfeld zal mijn liefde jou nog dwingen tot een beetje dankbaarheid: je zult mijn dood een weldaad noemen! Je moet wel weten dat ik door zelf te sterven ook mijn hart voor jou prijsgeef, en dat ik dus een dubbel levenslicht moet missen! Maar niemand zal jou van mijn dood moeten vertellen, neen, ikzelf zal jou geen twijfel laten. Ik zal hier zelf nog te zien zijn, zodat jouw wrede blik zich aan mijn dode lichaam kan laven… Goden! Het enige wat ik nog vraag is dat men nog eeuwenlang van mij zal blijven spreken en tel de jaren die jullie van mijn leven afnemen bij mijn nagedachtenis.’

Na die woorden keek hij met betraande ogen naar de voordeur waar hij zo vaak bloemenkransen had gehangen. Hij bond er met bange armen een tot een lus geknoopt touw hoog aan de muur en riep: ‘Wrede, gemene vrouw, zal deze krans jou wel bevallen?’. Toen stak hij zijn hoofd erdoor, nog altijd kijkend in haar richting, en liet zich hangen met verstikte keel – een droeve last voor het touw. Zijn voeten bungelden en bonkten op de deur alsof er stil gekreun klonk…Toen ze opendeden, zagen ze wat hij had gedaan…

Geschreeuw bij het personeel dat hem nog wilde redden, maar het was te laat… Ze brachten hem naar zijn moeders huis. Zij, een weduwe, klemde het levenloze lichaam van haar zoon tegen haar borst. Na de stille woorden van haar rouwend moederhart, na al de handelingen die zo vaak voorkomen bij droeve moeders, leidde ze ook de droevige rouwstoet door de stad, met op de baar zijn grauw lichaam dat verbrand moest worden.

De weg waarlangs de treurige processie voortging, liep dicht langs het huis van de genadeloze Anaxarete. Die wachtte nu de wraak des hemels af… Zij hoorde de kreten van de rouwstoet en dacht, toch wel bedroefd: ‘Ik wil die stoet eens zien’, en liep naar een open venster van de hoge zaal. Nauwelijks had zij Iphis’ lichaam op de lijkbaar zien liggen of haar blik versteende, het warme bloed trok uit haar lichaam weg en bleekheid overviel haar.

Toen ze terug wou stappen, stond ze als vastgenageld, toen zij probeerde haar gelaat af te wenden, kon ze dat niet. Steeds verder werd haar lichaam, dat al een hart van steen had, nu helemaal van steen! En denk niet dat ik dit verzin: want Salamis bezit een tempel met een beeld van de beminde vrouw; men spreekt van ‘de Venus die naar buiten kijkt’…

Dus lieve nimf Pomona, onthoud dit: wees niet koppig, ik smeek je, kies de man die jou bemint, dan zal geen nachtvorst ooit je vruchtenknoppen bederven en geen snelle wind je bloemen teisteren !"

Nadat de god haar dit verteld had , zoals oude vrouwen dat doen - maar wel vergeefs - nam hij zijn jonge vorm weer aan. Hij ontdeed zich van zijn vrouwentooi en stond daar voor Pomona even stralend als wanneer het zonlicht door een wolkendek breekt en in volle glorie schijnt. Vertumnus (die haar eerst wou dwingen) moest zover niet gaan omdat hij de nimf voor zich had gewonnen.