Home Introduction Persons Geogr. Sources Events Mijn blog(Nederlands)
Religion Subjects Images Queries Links Contact Do not fly Iberia
This is a non-commercial site. Any revenues from Google ads are used to improve the site.

Custom Search
Quote of the day: There never was a better slave or a wors
Notes
Display Vulgate text
Display Statenvertaling
The New Testament

First letter of Paul to the Corinthians. Chapter 3
Next chapter
Return to index
Previous chapter
1 And I, brethren, could not speak unto you as unto spiritual, but as unto carnal, even as unto babes in Christ.
2 I have fed you with milk, and not with meat: for hitherto ye were not able to bear it, neither yet now are ye able.
3 For ye are yet carnal: for whereas there is among you envying, and strife, and divisions, are ye not carnal, and walk as men?
4 For while one saith, I am of Paul; and another, I am of Apollos; are ye not carnal?
5 Who then is Paul, and who is Apollos, but ministers by whom ye believed, even as the Lord gave to every man?
6 I have planted, Apollos watered; but God gave the increase.
7 So then neither is he that planteth any thing, neither he that watereth; but God that giveth the increase.
8 Now he that planteth and he that watereth are one: and every man shall receive his own reward according to his own labour.
9 For we are labourers together with God: ye are God's husbandry, ye are God's building.
10 According to the grace of God which is given unto me, as a wise masterbuilder, I have laid the foundation, and another buildeth thereon. But let every man take heed how he buildeth thereupon.
11 For other foundation can no man lay than that is laid, which is Jesus Christ.
12 Now if any man build upon this foundation gold, silver, precious stones, wood, hay, stubble;
13 Every man's work shall be made manifest: for the day shall declare it, because it shall be revealed by fire; and the fire shall try every man's work of what sort it is.
14 If any man's work abide which he hath built thereupon, he shall receive a reward.
15 If any man's work shall be burned, he shall suffer loss: but he himself shall be saved; yet so as by fire.
16 Know ye not that ye are the temple of God, and that the Spirit of God dwelleth in you?
17 If any man defile the temple of God, him shall God destroy; for the temple of God is holy, which temple ye are.
18 Let no man deceive himself. If any man among you seemeth to be wise in this world, let him become a fool, that he may be wise.
19 For the wisdom of this world is foolishness with God. For it is written, He taketh the wise in their own craftiness.
20 And again, The Lord knoweth the thoughts of the wise, that they are vain.
21 Therefore let no man glory in men. For all things are your's;
22 Whether Paul, or Apollos, or Cephas, or the world, or life, or death, or things present, or things to come; all are your's;
23 And ye are Christ's; and Christ is God's.

1 Korinthiërs 3

1En ik, broeders, kon tot u niet spreken als tot geestelijken,1) maar als tot vleselijken,2) als tot jonge kinderen3) in Christus.
2Ik heb u met melk gevoed,4) en niet met vaste spijs;5) want gij vermocht toen nog niet; ja, gij vermoogt ook nu nog niet.
3Want gij zijt nog vleselijk; want dewijl onder u nijd is, en twist, en tweedracht, zijt gij niet vleselijk, en wandelt gij niet naar den mens?6)
4Want als de een zegt: Ik ben van Paulus; en een ander: Ik ben van Apollos; zijt gij niet vleselijk?7)
5Wie is dan Paulus, en wie is Apollos, anders dan dienaars, door welken gij8) geloofd hebt, en dat, gelijk de Heere aan een iegelijk gegeven heeft?
6Ik heb geplant,10) Apollos heeft nat gemaakt;11) maar God heeft den wasdom12) gegeven.
7Zo is dan noch hij, die plant, iets, noch13) hij, die nat maakt, maar God, Die den wasdom geeft.
8En die plant, en die nat maakt, zijn een;14) maar een iegelijk zal zijn loon ontvangen naar zijn arbeid.
9Want wij zijn16) Gods medearbeiders;17) Gods akkerwerk,18) Gods gebouw19) zijt gij.
10Naar de genade20) Gods, die mij gegeven is, heb ik als een wijs21) bouwmeester het fondament22) gelegd; en een ander bouwt daarop.23) Maar een iegelijk zie toe, hoe hij daarop bouwe.24)
11Want niemand kan een ander fondament leggen, dan hetgeen25) gelegd is, hetwelk is26) Jezus Christus.
12En indien iemand op dit fondament27) bouwt: goud, zilver,28) kostelijke stenen, hout, hooi,29) stoppelen;
13Eens iegelijks30) werk zal31) openbaar worden; want de dag zal het32) verklaren, dewijl33) het door vuur ontdekt34) wordt; en hoedanig eens iegelijks werk is, zal het vuur beproeven.
14Zo iemands werk blijft, dat hij35) daarop gebouwd heeft, die zal loon ontvangen.36)
15Zo iemands werk zal verbrand worden,37) die zal schade lijden;38) maar zelf zal hij behouden worden,39) doch alzo als door vuur.40)
16Weet gij niet, dat gij Gods41) tempel zijt, en de Geest Gods in ulieden woont?
17Zo iemand den42) tempel Gods schendt, dien zal God schenden; want43) de tempel Gods is heilig, welke gij zijt.
18Niemand bedriege44) zichzelven. Zo iemand onder u dunkt, dat hij wijs is in45) deze wereld, die worde dwaas,46) opdat hij wijs moge worden.47)
19Want de wijsheid dezer wereld is dwaasheid bij God; want er is geschreven: Hij vat de wijzen48) in hun arglistigheid;
20En wederom: De Heere kent de overleggingen der wijzen,49) dat zij ijdel50) zijn.
21Niemand dan roeme op mensen;51) want alles is uwe.52)
22Hetzij Paulus, hetzij Apollos, hetzij Cefas, hetzij de wereld, hetzij leven, hetzij dood, hetzij tegenwoordige, hetzij toekomende dingen, zij zijn alle uwe.
23Doch gij zijt van Christus,53) en Christus is Gods.54)