Home Introduction Persons Geogr. Sources Events Mijn blog(Nederlands)
Religion Subjects Images Queries Links Contact Do not fly Iberia
This is a non-commercial site. Any revenues from Google ads are used to improve the site.

Custom Search
Quote of the day: The astrologers also urged him to action
Notes
Display Vulgate text
Display Statenvertaling
The New Testament

First letter of Paul to the Corinthians Chapter 10
Next chapter
Return to index
Previous chapter
1 Moreover, brethren, I [Note 1] would not that ye should be ignorant, how that all our fathers were under the cloud, and all passed through the sea;
2 And were all baptized unto Moses in the cloud and in the sea;
3 And did all eat the same spiritual meat;
4 And did all drink the same spiritual drink: for they drank of that spiritual Rock that followed them: and that Rock was Christ.
5 But with many of them God was not well pleased: for they were overthrown in the wilderness.
6 Now these things were our examples, to the intent we should not lust after evil things, as they also lusted.
7 Neither be ye idolaters, as were some of them; as it is written, The people sat down to eat and drink, and rose up to play.
8 Neither let us commit fornication, as some of them committed, and fell in one day three and twenty thousand.
9 Neither let us tempt Christ, as some of them also tempted, and were destroyed of serpents.
10 Neither murmur ye, as some of them also murmured, and were destroyed of the destroyer.
11 Now all these things happened unto them for ensamples: and they are written for our admonition, upon whom the ends of the world are come.
12 Wherefore let him that thinketh he standeth take heed lest he fall.
13 There hath no temptation taken you but such as is common to man: but God is faithful, who will not suffer you to be tempted above that ye are able; but will with the temptation also make a way to escape, that ye may be able to bear it.
14 Wherefore, my dearly beloved, flee from idolatry.
15 I speak as to wise men; judge ye what I say.
16 The cup of blessing which we bless, is it not the communion of the blood of Christ? The bread which we break, is it not the communion of the body of Christ?
17 For we being many are one bread, and one body: for we are all partakers of that one bread.
18 Behold Israel after the flesh: are not they which eat of the sacrifices partakers of the altar?
19 What say I then? that the idol is any thing, or that which is offered in sacrifice to idols is any thing?
20 But I say, that the things which the Gentiles sacrifice, they sacrifice to devils, and not to God: and I would not that ye should have fellowship with devils.
21 Ye cannot drink the cup of the Lord, and the cup of devils: ye cannot be partakers of the Lord's table, and of the table of devils.
22 Do we provoke the Lord to jealousy? are we stronger than he?
23 All things are lawful for me, but all things are not expedient: all things are lawful for me, but all things edify not.
24 Let no man seek his own, but every man another's wealth.
25 Whatsoever is sold in the shambles, that eat, asking no question for conscience sake:
26 For the earth is the Lord's, and the fulness thereof.
27 If any of them that believe not bid you to a feast, and ye be disposed to go; whatsoever is set before you, eat, asking no question for conscience sake.
28 But if any man say unto you, this is offered in sacrifice unto idols, eat not for his sake that shewed it, and for conscience sake: for the earth is the Lord's, and the fulness thereof:
29 Conscience, I say, not thine own, but of the other: for why is my liberty judged of another man's conscience?
30 For if I by grace be a partaker, why am I evil spoken of for that for which I give thanks?
31 Whether therefore ye eat, or drink, or whatsoever ye do, do all to the glory of God.
32 Give none offence, neither to the Jews, nor to the Gentiles, nor to the Church of God:
33 Even as I please all men in all things, not seeking mine own profit, but the profit of many, that they may be saved.

Note 1: I = Paul

1 Korinthiërs 10

1En ik wil niet, broeders, dat gij onwetende zijt, dat onze vaders allen onder de wolk waren, en allen door de zee doorgegaan zijn;
2En allen in Mozes gedoopt zijn in de wolk en in de zee;
3En allen dezelfde geestelijke spijs gegeten hebben;
4En allen denzelfden geestelijken drank gedronken hebben; want zij dronken uit de geestelijke steenrots, die volgde; en de steenrots was Christus.
5Maar in het meerder deel van hen heeft God geen welgevallen gehad; want zij zijn in de woestijn ter nedergeslagen.
6En deze dingen zijn geschied ons tot voorbeelden, opdat wij geen lust tot het kwaad zouden hebben, gelijkerwijs als zij lust gehad hebben.
7En wordt geen afgodendienaars, gelijkerwijs als sommigen van hen, gelijk geschreven staat: Het volk zat neder om te eten, en om te drinken, en zij stonden op om te spelen.
8En laat ons niet hoereren, gelijk sommigen van hen gehoereerd hebben, en er vielen op een dag drie en twintig duizend.
9En laat ons Christus niet verzoeken, gelijk ook sommigen van hen verzocht hebben, en werden van de slagen vernield.
10En murmureert niet, gelijk ook sommigen van hen gemurmureerd hebben, en werden vernield van den verderver.
11En deze dingen alle zijn hunlieden overkomen tot voorbeelden; en zijn beschreven tot waarschuwing van ons, op dewelke de einden der eeuwen gekomen zijn.
12Zo dan, die meent te staan, zie toe, dat hij niet valle.
13Ulieden heeft geen verzoeking bevangen dan menselijke; doch God is getrouw, Die u niet zal laten verzocht worden boven hetgeen gij vermoogt; maar Hij zal met de verzoeking ook de uitkomst geven, opdat gij ze kunt verdragen.
14Daarom, mijn geliefden, vliedt van den afgodendienst.
15Als tot verstandigen spreek ik; oordeelt gij, hetgeen ik zeg.
16De drinkbeker der dankzegging, dien wij dankzeggende zegenen, is die niet een gemeenschap des bloeds van Christus? Het brood, dat wij breken, is dat niet een gemeenschap des lichaams van Christus?
17Want een brood is het, zo zijn wij velen een lichaam, dewijl wij allen eens broods deelachtig zijn.
18Ziet Israel, dat naar het vlees is: hebben niet degenen, die de offeranden eten, gemeenschap met het altaar?
19Wat zeg ik dan? Dat een afgod iets is, of dat het afgodenoffer iets is?
20Ja, ik zeg, dat hetgeen de heidenen offeren, zij den duivelen offeren, en niet Gode; en ik wil niet, dat gij met de duivelen gemeenschap hebt.
21Gij kunt den drinkbeker des Heeren niet drinken, en den drinkbeker der duivelen; gij kunt niet deelachtig zijn aan de tafel des Heeren, en aan de tafel der duivelen.
22Of tergen wij den Heere? Zijn wij sterker dan Hij?
23Alle dingen zijn mij geoorloofd, maar alle dingen zijn niet oorbaar; alle dingen zijn mij geoorloofd, maar alle dingen stichten niet.
24Niemand zoeke dat zijns zelfs is; maar een iegelijk zoeke dat des anderen is.
25Eet al wat in het vleeshuis verkocht wordt, niets ondervragende, om des gewetens wil;
26Want de aarde is des Heeren, en de volheid derzelve.
27En indien u iemand van de ongelovigen1) noodt, en gij daar gaan wilt2), eet al wat ulieden3) voorgesteld wordt, niets ondervragende,4) om des gewetens wil.
28Maar zo iemand tot5) ulieden zegt: Dat is afgodenoffer; eet het niet, om desgenen wil, die u dat te kennen gegeven heeft, en om des gewetens wil. Want de aarde is des Heeren,6) en de volheid derzelve.
29Doch ik zeg: om het geweten, niet van uzelven, maar des anderen;7) want waarom wordt mijn vrijheid geoordeeld van een ander geweten?
30En indien ik door genade9) der spijze deelachtig ben, waarom word ik gelasterd over hetgeen, waarvoor ik dankzeg?
31Hetzij dan dat gijlieden eet, hetzij dat gij drinkt, hetzij dat gij iets anders doet, doet het al ter ere Gods.
32Weest zonder aanstoot te geven, en den Joden, en den10) Grieken, en der Gemeente Gods.
33Gelijkerwijs ik ook in alles allen behaag, niet zoekende mijn eigen voordeel, maar het voordeel van velen, opdat zij mochten behouden worden.