Home Introduction Persons Geogr. Sources Events Mijn blog(Nederlands)
Religion Subjects Images Queries Links Contact Do not fly Iberia
This is a non-commercial site. Any revenues from Google ads are used to improve the site.

Custom Search
Quote of the day: Once too when Gaius Caesar in a casual c
Notes
Display Vulgate text
Display Statenvertaling
The New Testament

First letter of Peter Chapter 1
Next chapter
Return to index
Previous chapter
1 Peter, an apostle of Jesus Christ, to the strangers scattered throughout Pontus, Galatia, Cappadocia, Asia, and Bithynia,
2 Elect according to the foreknowledge of God the Father, through sanctification of the Spirit, unto obedience and sprinkling of the blood of Jesus Christ: Grace unto you, and peace, be multiplied.
3 Blessed be the God and Father Lord Jesus Christ, which according to his abundant mercy hath begotten us again unto a lively hope by the resurrection of Jesus Christ from the dead,
4 To an inheritance incorruptible, and undefiled, and that fadeth not away, reserved in heaven for you,
5 Who are kept by the power of God through faith unto salvation ready to be revealed in the last time.
6 Wherein ye greatly rejoice, though now for a season, if need be, ye are in heaviness through manifold temptations:
7 That the trial of your faith, being much more precious than of gold that perisheth, though it be tried with fire, might be found unto praise and honour and glory at the appearing of Jesus Christ:
8 Whom having not seen, ye love; in whom, though now ye see him not, yet believing, ye rejoice with joy unspeakable and full of glory:
9 Receiving the end of your faith, even the salvation of your souls.
10 Of which salvation the prophets have enquired and searched diligently, who prophesied of the grace that should come unto you:
11 Searching what, or what manner of time the Spirit of Christ which was in them did signify, when it testified beforehand the sufferings of Christ, and the glory that should follow.
12 Unto whom it was revealed, that not unto themselves, but unto us they did minister the things, which are now reported unto you by them that have preached the gospel unto you with the Holy Ghost sent down from heaven; which things the angels desire to look into.
13 Wherefore gird up the loins of your mind, be sober, and hope to the end for the grace that is to be brought unto you at the revelation of Jesus Christ;
14 As obedient children, not fashioning yourselves according to the former lusts in your ignorance:
15 But as he which hath called you is holy, so be ye holy in all manner of conversation;
16 Because it is written, Be ye holy; for I am holy.
17 And if ye call on the Father, who without respect of persons judgeth according to every man's work, pass the time of your sojourning here in fear:
18 Forasmuch as ye know that ye were not redeemed with corruptible things, as silver and gold, from your vain conversation received by tradition from your fathers;
19 But with the precious blood of Christ, as of a lamb without blemish and without spot:
20 Who verily was foreordained before the foundation of the world, but was manifest in these last times for you,
21 Who by him do believe in God, that raised him up from the dead, and gave him glory; that your faith and hope might be in God.
22 Seeing ye have purified your souls in obeying the truth through the Spirit unto unfeigned love of the brethren, see that ye love one another with a pure heart fervently:
23 Being born again, not of corruptible seed, but of incorruptible, by the word of God, which liveth and abideth for ever.
24 For all flesh is as grass, and all the glory of man as the flower of grass. The grass withereth, and the flower thereof falleth away:
25 But the word of the Lord endureth for ever. And this is the word which by the gospel is preached unto you.

1 Petrus 1

1Petrus, een apostel van Jezus Christus,1) aan de vreemdelingen,2) verstrooid in Pontus,3) Galatie, Kappadocie, Azie en Bithynie,4)
2Den uitverkorenen5) naar de voorkennis6) van God den Vader, in de heiligmaking7) des Geestes, tot gehoorzaamheid8) en besprenging des9) bloeds van Jezus Christus; genade en vrede zij u vermenigvuldigd.10)
3Geloofd zij11) de God en Vader12) van onzen Heere Jezus Christus, Die naar Zijn grote barmhartigheid ons heeft wedergeboren,13) tot een levende hoop,14) door de opstanding15) van Jezus Christus uit de doden.
4Tot een onverderfelijke, en onbevlekkelijke, en onverwelkelijke erfenis, die in de hemelen16) bewaard is voor u,
5Die in de kracht Gods17) bewaard wordt door18) het geloof tot de zaligheid, die bereid is, om geopenbaard te19) worden in den laatsten tijd.20)
6In welke gij u21) verheugt, nu een weinig tijds (zo het nodig is)22) bedroefd zijnde door menigerlei verzoekingen;23)
7Opdat de beproeving uws geloofs, die veel kostelijker24) is dan van het goud, hetwelk vergaat en door het vuur beproefd wordt, bevonden worde25) te zijn tot lof, en eer,26) en heerlijkheid, in de openbaring27) van Jezus Christus;
8Denwelken gij niet gezien hebt,28) en nochtans liefhebt, in Denwelken gij nu, hoewel Hem niet ziende, maar gelovende, u verheugt met een29) onuitsprekelijke en30) heerlijke vreugde;31)
9Verkrijgende het einde uws32) geloofs, namelijk de zaligheid der zielen.33)
10Van welke zaligheid34) ondervraagd en35) onderzocht hebben de profeten, die geprofeteerd hebben van de genade,36) aan u geschied;
11Onderzoekende, op welke of hoedanigen tijd37) de Geest van38) Christus, Die in hen was, beduidde en te voren getuigde, het lijden, dat op Christus komen zou, en de heerlijkheid daarna39) volgende.
12Denwelken geopenbaard is, dat zij niet zichzelven,40) maar ons bedienden deze dingen, die u nu aangediend zijn bij degenen, die u het Evangelie verkondigd hebben door den Heilige Geest, Die van den hemel41) gezonden is; in welke dingen42) de engelen43) begerig zijn in te zien.
13Daarom opschortende44) de lenden uws verstands, en nuchteren zijnde,45) hoopt volkomenlijk op46) de genade, die u toegebracht wordt47) in de openbaring48) van Jezus Christus.
14Als gehoorzame kinderen,49) wordt niet gelijkvormig aan50) de begeerlijkheden, die te voren in uw onwetendheid waren;51)
15Maar gelijk Hij, Die u geroepen heeft, heilig is, zo wordt ook gijzelven heilig in al uw wandel;
16Daarom dat er geschreven is: Zijt heilig, want Ik ben heilig.
17En indien gij tot een Vader aanroept Dengene, Die zonder53) aanneming des persoons54) oordeelt naar eens iegelijks werk, zo wandelt in vreze den tijd uwer inwoning;55)
18Wetende dat gij niet door vergankelijke dingen, zilver of goud, verlost zijt uit uw ijdele wandeling, die u van de vaderen56) overgeleverd is;
19Maar door het dierbaar bloed van Christus, als van een onbestraffelijk en onbevlekt Lam;
20Dewelke wel voorgekend is57) geweest voor de grondlegging der wereld, maar geopenbaard is58) in deze laatste tijden om uwentwil,59)
21Die door Hem gelooft60) in God, Welke Hem opgewekt heeft uit de doden, en Hem heerlijkheid gegeven heeft, opdat uw geloof en hoop op God zijn zou.
22Hebbende dan uw zielen gereinigd in de gehoorzaamheid61) der waarheid, door den Geest, tot ongeveinsde broederlijke liefde, zo hebt elkander vuriglijk lief62) uit een rein hart;63)
23Gij, die wedergeboren zijt, niet uit vergankelijk,64) maar uit onvergankelijk zaad,65) door het levende66) en eeuwig blijvende Woord van God.
24Want alle vlees67) is als gras,68) en alle heerlijkheid69) des mensen is als een bloem70) van het gras. Het gras is verdord, en zijn bloem is afgevallen;
25Maar het Woord71) des Heeren blijft in der72) eeuwigheid; en dit is het Woord,73) dat onder u verkondigd is.