Home Introduction Persons Geogr. Sources Events Mijn blog(Nederlands)
Religion Subjects Images Queries Links Contact Do not fly Iberia
This is a non-commercial site. Any revenues from Google ads are used to improve the site.

Custom Search
Quote of the day: Otho had long been courting the affectio
Notes
Display Vulgate text
Display Statenvertaling
The New Testament

Acts chapter 160
Next chapter
Return to index
Previous chapter
Paul in Macedonia

1 Then came he to Derbe and Lystra: and, behold, a certain disciple was there, named Timotheus, the son of a certain woman, which was a Jewess, and believed; but his father was a Greek,
2 Which was well reported of by the brethren that were at Lystra and Iconium
3 Him would Paul have to go forth with him; and took and circumcised him because of the Jews which were in those quarters: for they knew all that his father was a Greek.
4 And as they went through the cities, they delivered them the decrees for to keep, that were ordained of the apostles and elders which were at Jerusalem.
5 And so were the churches established in the faith, and increased in number daily.
6 Now when they had gone throughout Phrygia and the region of Galatia, and were forbidden of the Holy Ghost to preach the word in Asia.
7 After they were come to Mysia they assayed to go into Bithynia: but the Spirit suffered them not.
8 And they passing by Mysia came down to Troas
9 And a vision appeared to Paul in the night; There stood a man of Macedonia, and prayed him, saying, Come over into Macedonia, and help us.
10 And after he had seen the vision, immediately we endeavoured to go into Macedonia, assuredly gathering that the Lord had called us for to preach the gospel unto them.
11 Therefore loosing from Troas, we came with a straight course to Samothracia, and the next day to Neapolis.
12 And from thence to Philippi, which is the chief city of that part of Macedonia, and a colony: and we were in that city abiding certain days.
13 And on the sabbath we went out of the city by a river side, where prayer was wont to be made; and we sat down, and spake unto the women which resorted thither.
14 And a certain woman named Lydia, a seller of purple, of the city of Thyatira, which worshipped God, heard us: whose heart the Lord opened, that she attended unto the things which were spoken of Paul.
15 And when she was baptized, and her household, she besought us, saying, If ye have judged me to be faithful to the Lord, come into my house, and abide there. And she constrained us.
16 And it came to pass, as we went to prayer, a certain damsel possessed with a spirit of divination met us, which brought her masters much gain by soothsaying:
17 The same followed Paul and us, and cried, saying, These men are the servants of the most high God, which shew unto us the way of salvation.
18 And this did she many days. But Paul, being grieved, turned and said to the spirit, I command thee in the name of Jesus Christ to come out of her. And he came out the same hour.

The Jailor of Philippi

19 And when her masters saw that the hope of their gains was gone, they caught Paul and Silas, and drew them into the market-place unto the rulers,
20 And brought them to the magistrates, saying, These men, being Jews, do exceedingly trouble our city,
21 And teach customs, which are not lawful for us to receive, neither to observe, being Romans.
22 And the multitude rose up together against them: and the magistrates rent off their clothes, and commanded to beat them.
23 And when they had laid many stripes upon them, they cast them into prison, charging the jailor to keep them safely:
24 Who, having received such a charge, thrust them into the inner prison, and made their feet fast in the stocks.
25 And at midnight Paul and Silas prayed, and sang praises unto God: and the prisoners heard them.
26 And suddenly there was a great earthquake, so that the foundations of the prison were shaken: and immediately all the doors were opened, and every one's bands were loosed.
27 And the keeper of the prison awaking out of his sleep, and seeing the prison doors open, he drew out his sword, and would have killed himself, supposing that the prisoners had been fled.
28 But Paul cried with a loud voice, saying, Do thyself no harm: for we are all here.
29 Then he called for a light, and sprang in, and came trembling, and fell down before Paul and Silas,
30 And brought them out, and said, Sirs, what must I do to be saved?
31 And they said, Believe on the Lord Jesus Christ, and thou shalt be saved, and thy house.
32 And they spake unto him the word of the Lord, and to all that were in his house.
33 And he took them the same hour of the night, and washed their stripes; and was baptized, he and all his, straightway.
34 And when he had brought them into his house, he set meat before them, and rejoiced, believing in God with all his house.
35 And when it was day, the magistrates sent the serjeants, saying, Let those men go.
36 And the keeper of the prison told this saying to Paul, The magistrates have sent to let you go: now therefore depart, and go in peace.
37 But Paul said unto them, They have beaten us openly uncondemned, being Romans, and have cast us into prison; and now do they thrust us out privily? nay verily; but let them come themselves and fetch us out.
38 And the serjeants told these words unto the magistrates: and they feared, when they heard that they were Romans.
39 And they came and besought them, and brought them out, and desired them to depart out of the city.
40 And they went out of the prison, and entered into the house of Lydia: and when they had seen the brethren, they comforted them, and departed.

Events: Paul in Macedonia, The Jailor of Philippi

Handelingen 16

1En hij kwam te Derbe en1) Lystre. En ziet, aldaar was een zeker discipel, met name Timotheus, zoon2) van een gelovige Joodse3) vrouw, maar4) van een Grieksen vader;5)
2Welken goeden getuigenis gegeven6) werd van de broederen te Lystre en Ikonium.
3Deze wilde Paulus, dat met hem zou reizen; en hij7) nam en besneed hem, om der Joden wil,8) die in die plaatsen waren; want zij kenden allen zijn vader, dat hij een Griek was.9)
4En alzo zij de steden doorreisden, gaven zij hun de verordeningen10) over, die van de apostelen en de ouderlingen te Jeruzalem goed gevonden11) waren, om die te onderhouden.
5De Gemeenten dan werden bevestigd in het geloof, en12) werden dagelijks overvloediger in getal.
6En als zij Frygie, en13) het land van Galatie doorgereisd14) hadden, werden zij van den Heiligen15) Geest verhinderd het16) Woord in Azie te spreken.17)
7En aan Mysie gekomen18) zijnde, poogden zij naar Bithynie te19) reizen; en de Geest20) liet het hun21) niet toe.
8En zij, Mysie voorbij gereisd zijnde, kwamen af tot Troas.22)
9En van Paulus werd in den nacht een gezicht gezien: er was een Macedonisch man staande, die hem bad en zeide: Kom over in Macedonie,23) en help ons.24)
10Als hij nu dit gezicht gezien had, zo zochten wij terstond naar Macedonie te reizen, besluitende daaruit, dat ons de Heere geroepen had, om denzelven het Evangelie te verkondigen.
11Van Troas dan afgevaren zijnde, liepen wij recht naar Samothrace,25) en den volgende dag naar Neapolis.26)
12En van daar naar Filippi, welke27) is de eerste stad28) van dit deel van Macedonie, een kolonie.29) En wij onthielden ons in die stad ettelijke dagen.
13En op den dag des sabbats gingen wij buiten de stad aan de rivier, waar het gebed placht30) te geschieden; en nedergezeten zijnde, spraken wij tot de vrouwen, die31) samengekomen waren.
14En een zekere vrouw, met name Lydia, een purperverkoopster, van de stad Thyatira,32) die God diende, hoorde ons; welker hart de33) Heere heeft geopend, dat zij acht nam op34) hetgeen van Paulus gesproken werd.
15En als zij gedoopt was, en haar huis, bad35) zij ons, zeggende: Indien gij hebt geoordeeld, dat ik den Heere getrouw36) ben, zo komt in mijn huis, en blijft er.37) En zij dwong ons.38)
16En het geschiedde, als wij tot het gebed39) heengingen, dat een zekere dienstmaagd,40) hebbende een waarzeggenden41) geest, ons ontmoette, welke haar heren groot gewin toebracht met waarzeggen.
17Dezelve volgde Paulus en ons achterna, en riep, zeggende: Deze mensen zijn42) dienstknechten Gods des Allerhoogsten, die ons den weg43) der zaligheid verkondigen.
18En dit deed zij vele dagen lang. Maar Paulus, daarover ontevreden zijnde,44) keerde zich om, en zeide tot den geest: Ik gebied u in den Naam van Jezus Christus, dat gij van haar uitgaat.45) En hij ging uit ter zelfder ure.
19Als nu de heren van46) dezelve zagen, dat de hoop huns gewins weg was, grepen47) zij Paulus en Silas, en trokken hen naar de markt voor48) de oversten.49)
20En als zij hen tot de hoofdmannen50) gebracht hadden, zeiden zij: Deze mensen beroeren onze stad, daar zij Joden zijn.51)
21En zij verkondigen zeden, die ons52) niet geoorloofd zijn aan te nemen noch te doen, alzo wij Romeinen zijn.
22En de schare stond gezamenlijk tegen hen op; en de hoofdmannen, hun de klederen53) afgescheurd hebbende, bevalen hen te geselen.54)
23En als zij hun vele slagen gegeven hadden,55) wierpen zij hen in de gevangenis, en geboden den stokbewaarder,56) dat hij hen zekerlijk bewaren57) zou.
24Dewelke, zulk een gebod ontvangen hebbende, wierp hen in den binnensten kerker, en verzekerde hun voeten in de stok.58)
25En omtrent den middernacht baden Paulus en Silas, en zongen Gode59) lofzangen en de gevangenen60) hoorden naar hen.
26En er geschiedde snellijk een grote aardbeving, alzo dat de fundamenten des kerkers bewogen werden;61) en terstond werden al de deuren geopend, en de62) banden van allen werden los.
27En de stokbewaarder, wakker geworden zijnde, en ziende de deuren der gevangenis geopend, trok een zwaard, en zou zichzelven omgebracht hebben,63) menende, dat de gevangenen ontvloden waren.
28Maar Paulus riep met grote stem,64) zeggende: Doe uzelven geen kwaad; want wij zijn allen hier.
29En als hij licht geeist had, sprong hij in, en werd zeer bevende, en viel voor Paulus en Silas neder aan de voeten;
30En hen buiten gebracht65) hebbende, zeide hij: Lieve heren, wat moet ik doen, opdat ik zalig worde?
31En zij zeiden: Geloof in den Heere Jezus Christus, en gij zult zalig worden, gij en uw huis.66)
32En zij spraken tot hem het woord des Heeren, en tot allen, die in zijn huis waren.
33En hij nam hen tot zich in dezelve ure des nachts, en wies hen67) van de striemen; en hij werd terstond gedoopt, en al de zijnen.
34En hij bracht hen in zijn huis, en zette hun de tafel voor,68) en verheugde zich,69) dat hij met al zijn huis aan God gelovig geworden was.70)
35En als het dag geworden was, zonden de hoofdmannen de stadsdienaars,71) zeggende: Laat die mensen los.
36En de stokbewaarder boodschapte deze woorden aan Paulus, zeggende: De hoofdmannen hebben gezonden, dat gij zoudt losgelaten worden; gaat dan nu uit, en reist heen in vrede.
37Maar Paulus zeide tot hen: Zij72) hebben ons, die Romeinen zijn,73) onveroordeeld74) in het openbaar gegeseld, en in de gevangenis geworpen, en werpen zij ons nu heimelijk daaruit? Niet alzo;75) maar dat zij zelven komen, en ons uitleiden.
38En de stadsdienaars boodschapten deze woorden wederom den hoofdmannen; en zij werden bevreesd, horende, dat76) zij Romeinen waren.77)
39En zij, komende, baden hen, en als zij hen uitgeleid hadden, begeerden zij, dat zij uit de stad78) gaan zouden.
40En uitgegaan zijnde uit de gevangenis, gingen zij in tot Lydia; en79) de broeders gezien hebbende, vertroostten80) zij dezelve,81) en gingen uit de stad.