Home Introduction Persons Geogr. Sources Events Mijn blog(Nederlands)
Religion Subjects Images Queries Links Contact Do not fly Iberia
This is a non-commercial site. Any revenues from Google ads are used to improve the site.

Custom Search
Quote of the day: Sejanus, whom they already suspected of
Notes
Display Vulgate text
Display Statenvertaling
The New Testament

Letter of Paul to the Colossians Chapter 3
Next chapter
Return to index
Previous chapter
1 If ye then be risen with Christ, seek those things which are above, where Christ sitteth on the right hand of God.
2 Set your affection on things above, not on things on the earth.
3 For ye are dead, and your life is hid with Christ in God.
4 When Christ, who is our life, shall appear, then shall ye also appear with him in glory.
5 Mortify therefore your members which are upon the earth; fornication, uncleanness, inordinate affection, evil concupiscence, and covetousness, which is idolatry:
6 For which things' sake the wrath of God cometh on the children of disobedience:
7 In the which ye also walked some time, when ye lived in them.
8 But now ye also put off all these; anger, wrath, malice, blasphemy, filthy communication out of your mouth.
9 Lie not one to another, seeing that ye have put off the old man with his deeds;
10 And have put on the new man, which is renewed in knowledge after the image of him that created him:
11 Where there is neither Greek nor Jew, circumcision nor uncircumcision, Barbarians, Scythian, bond nor free: but Christ is all, and in all.
12 Put on therefore, as the elect of God, holy and beloved, bowels of mercies, kindness, humbleness of mind, meekness, longsuffering;
13 Forbearing one another, and forgiving one another, if any man have a quarrel against any: even as Christ forgave you, so also do ye.
14 And above all these things put on charity, which is the bond of perfectness.
15 And let the peace of God rule in your hearts, to the which also ye are called in one body; and be ye thankful.
16 Let the word of Christ dwell in you richly in all wisdom; teaching and admonishing one another in psalms and hymns and spiritual songs, singing with grace in your hearts to the Lord.
17 And whatsoever ye do in word or deed, do all in the name of the Lord Jesus, giving thanks to God and the Father by him.
18 Wives, submit yourselves unto your own husbands, as it is fit in the Lord.
19 Husbands, love your wives, and be not bitter against them.
20 Children, obey your parents in all things: for this is well pleasing unto the Lord.
21 Fathers, provoke not your children to anger, lest they be discouraged.
22 Servants, obey in all things your masters according to the flesh; not with eyeservice, as menpleasers; but in singleness of heart, fearing God;
23 And whatsoever ye do, do it heartily, as to the Lord, and not unto men;
24 Knowing that of the Lord ye shall receive the reward of the inheritance: for ye serve the Lord Christ.
25 But he that doeth wrong shall receive for the wrong which he hath done: and there is no respect of persons.

Kolossensen 3

1Indien gij dan met Christus1) opgewekt zijt, zo zoekt de dingen, die boven zijn,2) waar Christus is, zittende aan de rechter hand Gods.
2Bedenkt de dingen3), die boven zijn, niet die op de aarde zijn.4)
3Want gij zijt gestorven,5) en uw leven is met Christus6) verborgen in God.7)
4Wanneer nu Christus zal geopenbaard zijn,8) Die ons leven is,9) dan zult ook gij met Hem geopenbaard worden in heerlijkheid.
5Doodt dan10) uw leden11), die op de aarde zijn,12) namelijk hoererij, onreinigheid,13) schandelijke14) beweging, kwade begeerlijkheid, en de gierigheid, welke is afgodendienst.15)
6Om welke de toorn Gods16) komt over de kinderen17) der ongehoorzaamheid;
7In dewelke ook gij eertijds hebt gewandeld,18) toen gij in dezelve leefdet.
8Maar nu legt ook gij dit alles af, namelijk gramschap, toornigheid,19) kwaadheid, lastering,20) vuil spreken uit uw mond.
9Liegt niet tegen elkander, dewijl gij uitgedaan hebt den ouden mens21) met zijn werken,
10En aangedaan hebt den nieuwen mens, die vernieuwd22) wordt tot kennis,23) naar het evenbeeld Desgenen, Die hem geschapen heeft;24)
11Waarin25) niet is Griek26) en Jood, besnijdenis en voorhuid, barbaar en Scyth,27) dienstknecht en vrije; maar Christus is28) alles en in allen.
12Zo doet dan aan, als uitverkorenen Gods, heiligen en beminden,29) de innerlijke30) bewegingen der barmhartigheid, goedertierenheid, ootmoedigheid, zachtmoedigheid, lankmoedigheid;
13Verdragende elkander, en vergevende de een den anderen, zo iemand tegen iemand enige klacht heeft;31) gelijkerwijs als Christus u vergeven heeft, doet ook gij alzo.
14En boven dit alles doet aan de liefde, dewelke is de band der volmaaktheid.32)
15En de vrede Gods33) heerse in uw harten,34) tot welken gij ook geroepen zijt in een lichaam;35) en weest dankbaar.36)
16Het woord van Christus37) wone rijkelijk in u,38) in alle wijsheid;39) leert en vermaant elkander, met psalmen40) en lofzangen, en geestelijke liederen, zingende den Heere met aangenaamheid41) in uw hart.42)
17En al wat gij doet met woorden of met werken, doet het alles in de Naam43) van de Heere Jezus, dankende God en de Vader door Hem.
18Gij vrouwen, zijt uw eigen mannen onderdanig, gelijk het betaamt in den Heere.44)
19Gij mannen, hebt uw vrouwen lief, en wordt niet verbitterd tegen haar.
20Gij kinderen, zijt uw ouderen gehoorzaam in alles,45) want dat is de Heere welbehagelijk.
21Gij vaders, tergt uw kinderen niet,46) opdat zij niet moedeloos worden.
22Gij dienstknechten, zijt in alles gehoorzaam47) uw heren naar het vlees, niet met ogendiensten48) als mensenbehagers, maar met eenvoudigheid des harten, vrezende God.49)
23En al wat gij doet, doet dat van harte als den Heere en niet den mensen;50)
24Wetende, dat gij van den Heere zult ontvangen de vergelding51) der erfenis; want gij dient de Heere Christus.
25Maar die onrecht doet,52) die zal het onrecht dragen,53) dat hij gedaan heeft; en er is geen aanneming des persoons.54)