Home Introduction Persons Geogr. Sources Events Mijn blog(Nederlands)
Religion Subjects Images Queries Links Contact Do not fly Iberia
This is a non-commercial site. Any revenues from Google ads are used to improve the site.

Custom Search
Quote of the day: At the same moment he embraced the young
Notes
Display Vulgate text
Display Statenvertaling
The New Testament

Letter to the Hebrews Chapter 9
Next chapter
Return to index
Previous chapter
1 Then verily the first covenant had also ordinances of divine service, and a worldly sanctuary.
2 For there was a tabernacle made; the first, wherein was the candlestick, and the table, and the shewbread; which is called the sanctuary.
3 And after the second veil, the tabernacle which is called the Holiest of all;
4 Which had the golden censer, and the ark of the covenant overlaid round about with gold, wherein was the golden pot that had manna, and Aaron's rod that budded, and the tables of the covenant;
5 And over it the cherubims of glory shadowing the mercyseat; of which we cannot now speak particularly.
6 Now when these things were thus ordained, the priests went always into the first tabernacle, accomplishing the service of God.
7 But into the second went the High Priest alone once every year, not without blood, which he offered for himself, and for the errors of the people:
8 The Holy Ghost this signifying, that the way into the holiest of all was not yet made manifest, while as the first tabernacle was yet standing:
9 Which was a figure for the time then present, in which were offered both gifts and sacrifices, that could not make him that did the service perfect, as pertaining to the conscience;
10 Which stood only in meats and drinks, and divers washings, and carnal ordinances, imposed on them until the time of reformation.
11 But Christ being come an high priest of good things to come, by a greater and more perfect tabernacle, not made with hands, that is to say, not of this building;
12 Neither by the blood of goats and calves, but by his own blood he entered in once into the holy place, having obtained eternal redemption for us.
13 For if the blood of bulls and of goats, and the ashes of an heifer sprinkling the unclean, sanctifieth to the purifying of the flesh:
14 How much more shall the blood of Christ, who through the eternal Spirit offered himself without spot to God, purge your conscience from dead works to serve the living God?
15 And for this cause he is the mediator of the New Testament, that by means of death, for the redemption of the transgressions that were under the first testament, they which are called might receive the promise of eternal inheritance.
16 For where a testament is, there must also of necessity be the death of the testator.
17 For a testament is of force after men are dead: otherwise it is of no strength at all while the testator liveth.
18 Whereupon neither the first testament was dedicated without blood.
19 For when Moses had spoken every precept to all the people according to the law, he took the blood of calves and of goats, with water, and scarlet wool, and hyssop, and sprinkled both the book, and all the people,
20 Saying, This is the blood of the testament which God hath enjoined unto you.
21 Moreover he sprinkled with blood both the tabernacle, and all the vessels of the ministry.
22 And almost all things are by the law purged with blood; and without shedding of blood is no remission.
23 It was therefore necessary that the patterns of things in the heavens should be purified with these; but the heavenly things themselves with better sacrifices than these.
24 For Christ is not entered into the holy places made with hands, which are the figures of the true; but into heaven itself, now to appear in the presence of God for us:
25 Nor yet that he should offer himself often, as the high priest entereth into the holy place every year with blood of others;
26 For then must he often have suffered since the foundation of the world: but now once in the end of the world hath he appeared to put away sin by the sacrifice of himself.
27 And as it is appointed unto men once to die, but after this the judgment:
28 So Christ was once offered to bear the sins of many; and unto them that look for him shall he appear the second time without sin unto salvation.

Hebrëen 9

1Zo had dan wel ook het eerste verbond1) rechten van de gods dienst, en het wereldlijk3) heiligdom.4)
2Want de tabernakel was toebereid, namelijk de eerste,5) in welken was de kandelaar,6) en de tafel, en de toonbroden,7) welke genaamd wordt het heilige;
3Maar achter het tweede voorhangsel8) was de tabernakel,9) genaamd het heilige der heiligen;
4Hebbende een gouden wierookvat,10) en de ark des verbonds, alom met goud overdekt, in welke was11) de gouden kruik, daar het Manna in was, en de staf van Aaron, die gebloeid had, en de tafelen des verbonds.
5En boven over deze ark waren de cherubijnen der heerlijkheid,12) die het verzoendeksel beschaduwden;13) van welke dingen wij nu van stuk tot stuk niet zullen zeggen.
6Deze dingen nu, aldus toebereid zijnde, zo gingen wel de priesters in den eersten tabernakel,14) te allen tijde,15) om de gods diensten te volbrengen;
7Maar in den tweeden16) tabernakel ging alleen de hogepriester, eenmaal des jaars,17) niet zonder bloed,18) hetwelk hij offerde voor zichzelven en voor des volks misdaden.19)
8Waarmede de Heilige Geest20) dit beduidde, dat de weg des heiligdoms21) nog niet openbaar gemaakt was,22) zolang de eerste tabernakel nog stand had;23)
9Welke was een afbeelding24) voor dien tegenwoordigen tijd, in welken gaven en slachtofferen geofferd werden, die dengene, die de dienst pleegde,25) niet konden heiligen naar het geweten;26)
10Bestaande alleen in spijzen, en dranken, en verscheidene wassingen27) en rechtvaardigmakingen28) des vleses, tot op den tijd der verbetering29) opgelegd.30)
11Maar Christus, de Hogepriester der toekomende goederen,31) gekomen zijnde,32) is door den meerderen33) en volmaakten tabernakel, niet met handen gemaakt, dat is, niet van dit maaksel,34)
12Noch door het bloed der bokken en kalveren,35) maar door Zijn eigen bloed, eenmaal ingegaan in het heiligdom, een eeuwige36) verlossing teweeggebracht37) hebbende.
13Want indien het bloed der stieren en bokken, en de as der jonge koe,38) besprengende de onreinen,39) hen heiligt tot de reinigheid40) des vleses;
14Hoeveel te meer zal het bloed van Christus, Die door den eeuwigen Geest41) Zichzelven Gode onstraffelijk opgeofferd heeft, uw geweten42) reinigen van dode werken,43) om den levende God te dienen?
15En daarom is Hij de Middelaar des nieuwen testaments,44) opdat, de dood daartussen gekomen zijnde, tot verzoening der overtredingen,45) die onder het eerste testament waren,46) degenen, die geroepen zijn,47) de beloftenis48) der eeuwige erve ontvangen zouden.
16Want waar een testament is, daar is het noodzaak, dat de dood des testamentmakers tussen kome;
17Want een testament is vast in de doden, dewijl het nog geen kracht heeft, wanneer de testamentmaker leeft.
18Waarom ook het eerste50) niet zonder bloed is51) ingewijd.52)
19Want als al de geboden,53) naar de wet van Mozes, tot al het volk uitgesproken waren, nam hij het bloed der kalveren54) en bokken, met water, en purperen wol, en hysop, besprengde beide het boek zelf,55) en al het volk,56)
20Zeggende: Dit is het bloed des testaments,57) hetwelk God aan ulieden heeft geboden.58)
21En hij besprengde desgelijks59) ook den tabernakel, en al de vaten van den dienst met het bloed.
22En alle dingen worden bijna door bloed gereinigd60) naar de wet, en zonder bloedstorting geschiedt geen vergeving.
23Zo was het dan noodzaak,61) dat wel de voorbeeldingen der dingen,62) die in de hemelen zijn, door deze dingen gereinigd werden,63) maar de hemelse dingen zelve64) door betere offeranden dan deze.65)
24Want Christus is niet ingegaan in het heiligdom, dat met handen gemaakt is, hetwelk is een tegenbeeld van het ware,66) maar in den hemel zelven, om nu te verschijnen67) voor het aangezicht van God voor ons;
25Noch ook, opdat Hij Zichzelven dikwijls zou opofferen, gelijk de hogepriester alle jaar in het heiligdom ingaat met vreemd bloed;68)
26(Anders had Hij dikwijls moeten lijden69) van de grondlegging der wereld af)70) maar nu is Hij eenmaal in de voleinding der eeuwen geopenbaard,71) om de zonde te niet te doen, door Zijnzelfs offerande.
27En gelijk het den mensen gezet is,72) eenmaal te sterven,73) en daarna het oordeel;74)
28Alzo ook Christus, eenmaal geofferd zijnde, om veler zonden weg te nemen,75) zal ten anderen male zonder zonde76) gezien worden van degenen, die Hem verwachten77) tot zaligheid.