Home Introduction Persons Geogr. Sources Events Mijn blog(Nederlands)
Religion Subjects Images Queries Links Contact Do not fly Iberia
This is a non-commercial site. Any revenues from Google ads are used to improve the site.

Custom Search
Quote of the day: You too, Galba, will some day have a tas
Notes
Display Vulgate text
Display Statenvertaling
The New Testament

Letter of James Chapter 2
Next chapter
Return to index
Previous chapter
1 My brethren, have not the faith of our Lord Jesus Christ, the Lord of glory, with respect of persons.
2 For if there come unto your assembly a man with a gold ring, in goodly apparel, and there come in also a poor man in vile raiment;
3 And ye have respect to him that weareth the gay clothing, and say unto him, Sit thou here in a good place; and say to the poor, Stand thou there, or sit here under my footstool:
4 Are ye not then partial in yourselves, and are become judges of evil thoughts?
5 Hearken, my beloved brethren, Hath not God chosen the poor of this world rich in faith, and heirs of the kingdom which he hath promised to them that love him?
6 But ye have despised the poor. Do not rich men oppress you, and draw you before the judgment seats?
7 Do not they blaspheme that worthy name by the which ye are called?
8 If ye fulfil the royal law according to the scripture, Thou shalt love thy neighbour as thyself, ye do well:
9 But if ye have respect to persons, ye commit sin, and are convinced of the law as transgressors.
10 For whosoever shall keep the whole law, and yet offend in one point, he is guilty of all.
11 For he that said, Do not commit adultery, said also, Do not kill. Now if thou commit no adultery, yet if thou kill, thou art become a transgressor of the law.
12 So speak ye, and so do, as they that shall be judged by the law of liberty.
13 For he shall have judgment without mercy, that hath shewed no mercy; and mercy rejoiceth against judgment.
14 What doth it profit, my brethren, though a man say he hath faith, and have not works? can faith save him?
15 If a brother or sister be naked, and destitute of daily food,
16 And one of you say unto them, Depart in peace, be ye warmed and filled; notwithstanding ye give them not those things which are needful to the body; what doth it profit?
17 Even so faith, if it hath not works, is dead, being alone.
18 Yea, a man may say, Thou hast faith, and I have works: shew me thy faith without thy works, and I will shew thee my faith by my works.
19 Thou believest that there is one God; thou doest well: the devils also believe, and tremble.
20 But wilt thou know, O vain man, that faith without works is dead?
21 Was not Abraham our father justified by works, when he had offered Isaac his son upon the altar?
22 Seest thou how faith wrought with his works, and by works was faith made perfect?
23 And the scripture was fulfilled which saith, Abraham believed God, and it was imputed unto him for righteousness: and he was called the Friend of God.
24 Ye see then how that by works a man is justified, and not by faith only.
25 Likewise also was not Rahab the harlot justified by works, when she had received the messengers, and had sent them out another way?
26 For as the body without the spirit is dead, so faith without works is dead also.

Jakobus 2

1Mijn broeders, hebt niet het geloof van onzen Heere Jezus Christus, den Heere der heerlijkheid, met aanneming des persoons.
2Want zo in uw vergadering kwam een man met een gouden ring aan den vinger, in een sierlijke kleding, en er kwam ook een arm man in met een slechte kleding;
3En gij zoudt aanzien dengene, die de sierlijke kleding draagt, en tot hem zeggen: Zit gij hier op een eerlijke plaats; en zoudt zeggen tot den arme: Sta gij daar; of: Zit hier onder mijn voetbank;
4Hebt gij dan niet in uzelven een onderscheid gemaakt, en zijt rechters geworden van kwade overleggingen?
5Hoort, mijn geliefde broeders, heeft God niet uitverkoren de armen dezer wereld, om rijk te zijn in het geloof, en erfgenamen des Koninkrijks, hetwelk Hij belooft dengenen, die Hem liefhebben?
6Maar gij hebt den armen oneer aangedaan. Overweldigen u niet de rijken, en trekken zij u niet tot de rechterstoelen?
7Lasteren zij niet den goeden naam, die over u aangeroepen is?
8Indien gij dan de koninklijke wet volbrengt, naar de Schrift: Gij zult uw naaste liefhebben als uzelven, zo doet gij wel;
9Maar indien gij den persoon aanneemt, zo doet gij zonde, en wordt van de wet bestraft als overtreders.
10Want wie de gehele wet zal houden, en in een zal struikelen, die is schuldig geworden aan alle.
11Want Die gezegd heeft: Gij zult geen overspel doen, Die heeft ook gezegd: Gij zult niet doden. Indien gij nu geen overspel zult doen, maar zult doden, zo zijt gij een overtreder der wet geworden.
12Spreekt alzo, en doet alzo, als die door de wet der vrijheid zult geoordeeld worden.
13Want een onbarmhartig oordeel zal gaan over dengene, die geen barmhartigheid gedaan heeft; en de barmhartigheid roemt tegen het oordeel.
14Wat nuttigheid is het, mijn broeders, indien iemand zegt, dat hij het geloof heeft, en hij heeft de werken niet? Kan dat geloof hem zaligmaken?
15Indien er nu een broeder of zuster naakt zouden zijn, en gebrek zouden hebben aan dagelijks voedsel;
16En iemand van u tot hen zou zeggen: Gaat henen in vrede, wordt warm, en wordt verzadigd; en gijlieden zoudt hun niet geven de nooddruftigheden des lichaams, wat nuttigheid is dat?
17Alzo ook het geloof, indien het de werken niet heeft, is bij zichzelven dood.
18Maar, zal iemand zeggen: Gij hebt het geloof, en ik heb de werken. Toon mij uw geloof uit uw werken, en ik zal u uit mijn werken mijn geloof tonen.
19Gij gelooft, dat God een enig God is; gij doet wel; de duivelen geloven het ook, en zij sidderen.
20Maar wilt gij weten, o ijdel mens, dat het geloof zonder de werken dood is?
21Abraham, onze vader, is hij niet uit de werken gerechtvaardigd, als hij Izak, zijn zoon, geofferd heeft op het altaar?
22Ziet gij wel, dat het geloof mede gewrocht heeft met zijn werken, en het geloof volmaakt is geweest uit de werken?
23En de Schrift is vervuld geworden, die daar zegt: En Abraham geloofde God, en het is hem tot rechtvaardigheid gerekend, en hij is een vriend van God genaamd geweest.
24Ziet gij dan nu, dat een mens uit de werken gerechtvaardigd wordt, en niet alleenlijk uit het geloof?
25En desgelijks ook Rachab, de hoer, is zij niet uit de werken gerechtvaardigd geweest, als zij de gezondenen heeft ontvangen, en door een anderen weg uitgelaten?
26Want gelijk het lichaam zonder geest dood is, alzo is ook het geloof zonder de werken dood.