Home Introduction Persons Geogr. Sources Events Mijn blog(Nederlands)
Religion Subjects Images Queries Links Contact Do not fly Iberia
This is a non-commercial site. Any revenues from Google ads are used to improve the site.

Custom Search
Quote of the day: The emperor thought nothing charming or
Notes
Display Vulgate text
Display Statenvertaling
The New Testament

Gospel of John Chapter 3.0
Next chapter
Return to index
Previous chapter
Discussion with Nicodemus

1 There was a man of the Pharisees, named Nicodemus, a ruler of the Jews
2 The same came to Jesus by night, and said unto him, rabbi, we know that thou art a teacher come from God: for no man can do these miracles that thou doest, except God be with him.
3 Jesus answered and said unto him, Verily, verily, I say unto thee, Except a man be born again, he cannot see the kingdom of God.
4 Nicodemus saith unto him, How can a man be born when he is old? can he enter the second time into his mother's womb and be born?
5 Jesus answered, Verily, verily, I say unto thee, Except a man be born of water and of the Spirit, he cannot enter into the kingdom of God.
6 That which is born of the flesh is flesh; and that which is born of the Spirit is spirit.
7 Marvel not that I said unto thee, Ye must be born again.
8 The wind bloweth where it listeth, and thou hearest the sound thereof, but canst not tell whence it cometh, and whither it goeth: so is every one that is born of the Spirit.
9 Nicodemus answered and said unto him, How can these things be?
10 Jesus answered and said unto him, Art thou a master of Israel , and knowest not these things?
11 Verily, verily, I say unto thee, We speak that we do know, and testify that we have seen; and ye receive not our witness.
12 If I have told you earthly things, and ye believe not, how shall ye believe, if I tell you of heavenly things?
13 And no man hath ascended up to heaven, but he that came down from heaven, even the Son of Man which is in heaven.
14 And as Moses lifted up the serpent in the wilderness, even so must the son of man be lifted up:
15 That whosoever believeth in him should not perish, but have eternal life.
16 For God so loved the world, that he gave his only begotten Son, that whosoever believeth in him should not perish, but have everlasting life.
17 For God sent not his Son into the world to condemn the world; but that the world through him might be saved.
18 He that believeth on him is not condemned: but he that believeth not is condemned already, because he hath not believed in the name of the only begotten Son of God.
19 And this is the condemnation, that light is come into the world, and men loved darkness rather than light, because their deeds were evil.
20 For every one that doeth evil hateth the light, neither cometh to the light, lest his deeds should be reproved.
21 But he that doeth truth cometh to the light, that his deeds may be made manifest, that they are wrought in God.
22 After these things came Jesus and his disciples into the land of Judaea; and there he tarried with them, and baptized.

Testimony of John the Baptist

23 And John also was baptizing in Aenon near to Salim, because there was much water there: and they came, and were baptized.
24 For John was not yet cast into prison.
25 Then there arose a question between some of John's disciples and the Jews about purifying.
26 And they came unto John, and said unto him, rabbi, he that was with thee beyond Jordan, to whom thou barest witness, behold, the same baptizeth, and all men come to him.
27 John answered and said, A man can receive nothing, except it be given him from heaven.
28 Ye yourselves bear me witness, that I said, I am not the Christ, but that I am sent before him.
29 He that hath the bride is the bridegroom: but the friend of the bridegroom, which standeth and heareth him, rejoiceth greatly because of the bridegroom's voice: this my joy therefore is fulfilled.
30 He must increase, but I must decrease.
31 He that cometh from above is above all: he that is of the earth is earthly, and speaketh of the earth: he that cometh from heaven is above all.
32 And what he hath seen and heard, that he testifieth; and no man receiveth his testimony.
33 He that hath received his testimony hath set to his seal that God is true.
34 For he whom God hath sent speaketh the words of God: for God giveth not the Spirit by measure unto him.
35 The Father loveth the Son, and hath given all things into his hand.
36 He that believeth on the Son hath everlasting life: and he that believeth not the Son shall not see life; but the wrath of God abideth on him.

Events: Discussion with Nicodemus, Testimony of John the Baptist

Johannes 3

1En er was een mens uit de Farizeen, wiens naam was Nicodemus, een overste der1) Joden;
2Deze kwam des nachts tot2) Jezus, en zeide tot Hem: Rabbi, wij weten, dat Gij zijt een Leraar van God gekomen; want niemand kan deze tekenen doen, die Gij doet, zo God met hem niet is.
3Jezus antwoordde en3) zeide tot hem: Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Tenzij dat iemand wederom4) geboren worde,5) hij kan het Koninkrijk Gods niet zien.6)
4Nicodemus zeide tot Hem: Hoe kan een mens geboren worden, nu oud zijnde? Kan hij ook andermaal in zijner moeders buik ingaan, en geboren worden?
5Jezus antwoordde: Voorwaar, voorwaar7) zeg Ik u: Zo iemand niet geboren wordt uit water en Geest,8) hij kan in het Koninkrijk Gods niet ingaan.
6Hetgeen uit het vlees geboren9) is, dat is vlees; en10) hetgeen uit den Geest geboren is, dat is geest.11)
7Verwonder u niet, dat Ik u gezegd heb: Gijlieden moet wederom geboren worden.12)
8De wind13) blaast, waarheen14) hij wil, en gij hoort zijn geluid; maar15) gij weet niet, van waar hij16) komt, en waar hij heen gaat; alzo is een iegelijk,17) die uit den Geest geboren is.
9Nicodemus antwoordde en zeide tot Hem: Hoe kunnen deze dingen geschieden?
10Jezus antwoordde en zeide tot hem: Zijt gij een leraar van Israel, en weet gij deze dingen niet?18)
11Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Wij spreken, wat19) Wij weten, en getuigen, wat Wij gezien hebben; en gijlieden neemt20) Onze getuigenis niet aan.
12Indien Ik ulieden de aardse dingen21) gezegd heb, en gij niet gelooft, hoe zult gij geloven, indien Ik ulieden de hemelse zou zeggen?22)
13En niemand is opgevaren in den23) hemel, dan Die uit den hemel nedergekomen is,24) namelijk de Zoon des mensen, Die in de hemel is.25)
14En gelijk Mozes de slang in de woestijn verhoogd heeft,26) alzo moet de Zoon des mensen verhoogd worden;27)
15Opdat een iegelijk, die in Hem gelooft, niet verderve, maar28) het eeuwige leven hebbe.
16Want alzo lief heeft God de wereld gehad,29) dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een iegelijk die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe.
17Want God heeft Zijn Zoon niet gezonden in de wereld, opdat Hij de wereld veroordelen zou,30) maar opdat de wereld door Hem31) zou behouden worden.
18Die in Hem gelooft, wordt niet veroordeeld, maar die niet gelooft, is alrede veroordeeld,32) dewijl hij niet heeft geloofd in den Naam des eniggeboren Zoons van God.
19En dit is het oordeel, dat33) het licht in34) de wereld gekomen is, en de mensen hebben de duisternis liever gehad dan het licht; want hun werken waren boos.
20Want een iegelijk, die kwaad doet, haat het licht, en komt tot het licht niet, opdat zijn werken niet bestraft worden.35)
21Maar die de waarheid36) doet, komt tot het licht, opdat zijn werken openbaar worden, dat zij in God gedaan zijn.37)
22Na dezen kwam Jezus en Zijn discipelen in het land van38) Judea, en onthield Zich aldaar met hen, en doopte.39)
23En Johannes doopte ook in Enon bij Salim, dewijl aldaar vele wateren waren; en zij kwamen daar, en werden gedoopt.
24Want Johannes was nog niet in de gevangenis geworpen.
25Er rees dan een vraag van enigen40) uit de discipelen van Johannes met de Joden over de reiniging.41)
26En zij kwamen tot Johannes,42) en zeiden tot hem: Rabbi, Die met u was over de Jordaan,43) Welken gij getuigenis gaaft, zie, Die doopt, en zij komen allen tot Hem.44)
27Johannes antwoordde en zeide: Een mens kan geen ding45) aannemen, zo het hem uit de hemel46) niet gegeven zij.
28Gijzelven zijt mijn getuigen, dat ik gezegd heb: Ik ben de Christus niet; maar dat ik voor Hem heen uitgezonden ben.
29Die de bruid heeft, is de bruidegom, maar de vriend des47) bruidegoms, die staat en hem hoort, verblijdt zich met blijdschap om de stem des bruidegoms.48) Zo is dan deze mijn blijdschap vervuld geworden.
30Hij moet wassen, maar ik minder worden.
31Die van boven komt,49) is boven allen; die uit de aarde is50) voortgekomen die is uit de aarde, en spreekt uit de aarde. Die uit den hemel komt, is boven allen.
32En hetgeen Hij gezien51) en gehoord heeft, dat getuigt Hij; en Zijn getuigenis neemt niemand aan.52)
33Die Zijn getuigenis aangenomen heeft, die heeft verzegeld, dat53) God waarachtig is.
34Want Dien God gezonden heeft, Die spreekt de woorden Gods; want God geeft Hem de Geest niet met mate.54)
35De Vader heeft den Zoon lief, en heeft alle dingen in Zijn hand55) gegeven.
36Die in den Zoon gelooft, die heeft het eeuwige leven; maar die den Zoon ongehoorzaam is,56) die zal het leven niet zien, maar57) de toorn Gods blijft op hem.