Home Introduction Persons Geogr. Sources Events Mijn blog(Nederlands)
Religion Subjects Images Queries Links Contact Do not fly Iberia
This is a non-commercial site. Any revenues from Google ads are used to improve the site.

Custom Search
Quote of the day: At the same moment he embraced the young
Notes
Display Vulgate text
Display Statenvertaling
The New Testament

Gospel of John Chapter 18.0
Next chapter
Return to index
Previous chapter
The arrest of Jesus

1 When Jesus had spoken these words, he went forth with his disciples over the brook Cedron, where was a garden, into the which he entered, and his disciples.
2 And Judas also, which betrayed him, knew the place: for Jesus ofttimes resorted thither with his disciples.
3 Judas then, having received a band of men and officers from the chief priests and Pharisees, cometh thither with lanterns and torches and weapons.
4 Jesus therefore, knowing all things that should come upon him, went forth, and said unto them, Whom seek ye?
5 They answered him, Jesus of Nazareth. Jesus saith unto them, I am he. And Judas also, which betrayed him, stood with them.
6 As soon then as he had said unto them, I am he, they went backward, and fell to the ground.
7 Then asked he them again, Whom seek ye? And they said, Jesus of Nazareth.
8 Jesus answered, I have told you that I am he: if therefore ye seek me, let these go their way:
9 That the saying might be fulfilled, which he spake, Of them which thou gavest me have I lost none.
10 Then Simon Peter having a sword drew it, and smote the High Priest's servant, and cut off his right ear. The servant's name was Malchus
11 Then said Jesus unto Peter, Put up thy sword into the sheath: the cup which my Father hath given me, shall I not drink it?

Jesus before Annas

12 Then the band and the captain and officers of the Jews took Jesus, and bound him,
13 And led him away to Annas first; for he was father-in-law to Caiaphas , which was the high priest that same year.
14 Now Caiaphas was he, which gave counsel to the Jews, that it was expedient that one man should die for the people.

The denial of Peter

15 And Simon Peter followed Jesus, and so did another disciple: that disciple was known unto the high priest, and went in with Jesus into the palace of the high priest.
16 But Peter stood at the door without. Then went out that other disciple, which was known unto the high priest, and spake unto her that kept the door, and brought in Peter.
17 Then saith the damsel that kept the door unto Peter, Art not thou also one of this man's disciples? He saith, I am not.
18 And the servants and officers stood there, who had made a fire of coals; for it was cold: and they warmed themselves: and Peter stood with them, and warmed himself.
19 The high priest then asked Jesus of his disciples, and of his doctrine.
20 Jesus answered him, I spake openly to the world; I ever taught in the synagogue, and in the temple, whither the Jews always resort; and in secret have I said nothing.
21 Why askest thou me? ask them which heard me, what I have said unto them: behold, they know what I said.
22 And when he had thus spoken, one of the officers which stood by struck Jesus with the palm of his hand, saying, Answerest thou the high priest so?
23 Jesus answered him, If I have spoken evil, bear witness of the evil: but if well, why smitest thou me?
24 Now Annas had sent him bound unto Caiaphas the high priest.
25 And Simon Peter stood and warmed himself. They said therefore unto him, Art not thou also one of his disciples? He denied it, and said, I am not.
26 One of the servants of the high priest, being his kinsman whose ear Peter cut off, saith, Did not I see thee in the garden with him?
27 Peter then denied again: and immediately the cock crew.

Jesus before Pilate

28 Then led they Jesus from Caiaphas unto the hall of judgment: and it was early; and they themselves went not into the judgment hall, lest they should be defiled; but that they might eat the passover.
29 Pilate then went out unto them, and said, What accusation bring ye against this man?
30 They answered and said unto him, If he were not a malefactor, we would not have delivered him up unto thee.
31 Then said Pilate unto them, Take ye him, and judge him according to your law. The Jews therefore said unto him, It is not lawful for us to put any man to death:
32 That the saying of Jesus might be fulfilled, which he spake, signifying what death he should die.
33 Then Pilate entered into the judgment hall again, and called Jesus, and said unto him, Art thou the king of the Jews?
34 Jesus answered him, Sayest thou this thing of thyself, or did others tell it thee of me?
35 Pilate answered, Am I a Jew? Thine own nation and the chief priests have delivered thee unto me: what hast thou done?
36 Jesus answered, My kingdom is not of this world: if my kingdom were of this world, then would my servants fight, that I should not be delivered to the Jews: but now is my kingdom not from hence.
37 Pilate therefore said unto him, Art thou a king then? Jesus answered, Thou sayest that I am a king. To this end was I born, and for this cause came I into the world, that I should bear witness unto the truth. Every one that is of the truth heareth my voice.
38 Pilate saith unto him, What is truth? And when he had said this, he went out again unto the Jews, and saith unto them, I find in him no fault at all.
39 But ye have a custom, that I should release unto you one at the passover: will ye therefore that I release unto you the king of the Jews?
40 Then cried they all again, saying, Not this man, but Barabbas. Now Barabbas was a robber.

Events: The Betrayal of Judas, The arrest of Jesus / kiss of Judas / ear of Malchus, Jesus before Annas / Caiphas, The denial and the repentance of Peter, Jesus before Pilate, The release of Barabbas

Johannes 18

1Jezus, dit gezegd hebbende, ging uit met1) Zijn discipelen over de beek Kedron, waar2) een hof was, in welken Hij ging, en Zijn discipelen.
2En Judas, die Hem verried, wist ook die plaats, dewijl Jezus aldaar dikwijls vergaderd was3) geweest met Zijn discipelen.
3Judas dan, genomen hebbende de bende4) krijgsknechten en enige dienaars van de overpriesters5) en Farizeen, kwam aldaar met lantaarnen, en fakkelen, en6) wapenen.
4Jezus dan, wetende alles, wat over Hem komen zou, ging uit, en7) zeide tot hen: Wien zoekt gij?
5Zij antwoordden Hem: Jezus den Nazarener. Jezus zeide tot hen: Ik ben het. En Judas, die Hem verried, stond ook bij hen.
6Als Hij dan tot hen zeide: Ik ben het; gingen zij achterwaarts, en vielen ter aarde.8)
7Hij vraagde hun dan wederom:9) Wien zoekt gij? En zij zeiden: Jezus den Nazarener.
8Jezus antwoordde: Ik heb u gezegd, dat Ik het ben. Indien gij dan Mij zoekt, zo laat dezen heengaan.
9Opdat het woord10) vervuld zou worden, dat Hij gezegd had:11) Uit degenen, die Gij Mij gegeven hebt, heb Ik niemand verloren.
10Simon Petrus dan, hebbende een zwaard,12) trok hetzelve uit, en sloeg des hogepriesters dienstknecht, en hieuw zijn rechteroor af. En de13) naam van den dienstknecht was Malchus.
11Jezus dan zeide tot Petrus: Steek uw zwaard14) in de schede. Den drinkbeker,15) dien Mij de Vader gegeven heeft, zal Ik dien niet drinken?
12De bende dan, en de overste over duizend, en de dienaars der Joden namen16) Jezus gezamenlijk, en bonden Hem;
13En leidden Hem henen, eerst tot Annas;17) want hij was de vrouws vader van Kajafas, welke deszelven jaars hogepriester was.
14Kajafas nu was degene, die den Joden geraden had, dat het nut was, dat een Mens voor het volk stierve.
15En Simon Petrus volgde Jezus,18) en een ander discipel.19) Deze discipel nu was den hogepriester bekend, en ging met Jezus in des hogepriesters zaal.20)
16En Petrus stond buiten aan de deur. De andere discipel dan, die den hogepriester bekend was, ging uit, en sprak met de21) deurwaarster, en bracht Petrus in.
17De dienstmaagd dan, die de deurwaarster was, zeide tot Petrus:22) Zijt ook gij niet uit de discipelen van dezen Mens? Hij zeide: Ik ben niet.
18En de dienstknechten en de dienaars stonden,23) hebbende een kolenvuur gemaakt, omdat het koud was, en24) warmden zich. Petrus stond bij hen, en warmde zich.
19De hogepriester dan vraagde Jezus van Zijn discipelen,25) en van Zijn leer.26)
20Jezus antwoordde hem: Ik heb vrijuit gesproken tot de wereld;27) Ik heb allen tijd geleerd in de synagoge en in den tempel, waar de Joden van alle plaatsen28) samenkomen; en in het verborgen29) heb Ik niets gesproken.
21Wat ondervraagt gij Mij? Ondervraag degenen, die het gehoord hebben, wat Ik tot hen gesproken heb; zie, dezen weten, wat Ik gezegd heb.
22En als Hij dit zeide, gaf een van de dienaren, die daarbij stond, Jezus een kinnebakslag,30) zeggende: Antwoordt Gij alzo den hogepriester?
23Jezus antwoordde hem: Indien Ik kwalijk gesproken heb, betuig van31) het kwade; en indien wel, waarom slaat gij Mij?
24(Annas dan had Hem gebonden gezonden tot32) Kajafas, den hogepriester.)
25En Simon Petrus stond en warmde zich. Zij zeiden dan33) tot hem: Zijt gij ook niet uit Zijn discipelen? Hij loochende het, en zeide: Ik ben niet.
26Een van de dienstknechten des hogepriesters, die maagschap was van dengene, dien Petrus het oor afgehouwen had, zeide: Heb ik u niet gezien in den hof met Hem?
27Petrus dan loochende het wederom. En terstond kraaide de haan.34)
28Zij dan leidden Jezus van Kajafas in35) het rechthuis.36) En het was 's morgens vroeg;37) en zij gingen niet in het rechthuis, opdat zij niet verontreinigd38) zouden worden, maar opdat zij het pascha eten mochten.39)
29Pilatus dan ging tot hen uit, en zeide:40) Wat beschuldiging brengt gij tegen dezen Mens?
30Zij antwoordden en zeiden tot hem: Indien Deze geen kwaaddoener ware, zo zouden wij Hem u niet overgeleverd hebben.
31Pilatus dan zeide tot hen: Neemt gij Hem, en oordeelt Hem naar uw wet. De Joden dan zeiden tot hem: Het is ons niet geoorloofd41) iemand te doden.
32Opdat het woord van Jezus vervuld wierd, dat Hij gezegd had,42) betekenende, hoedanigen dood Hij sterven zoude.
33Pilatus dan ging wederom in het rechthuis, en riep Jezus, en zeide tot Hem: Zijt Gij de Koning der Joden?
34Jezus antwoordde hem: Zegt gij dit van uzelven,43) of hebben het u anderen van44) Mij gezegd?
35Pilatus antwoordde: Ben ik een Jood?45) Uw volk en de overpriesters hebben U aan mij overgeleverd; wat hebt Gij gedaan?
36Jezus antwoordde: Mijn Koninkrijk is niet van deze wereld.46) Indien Mijn Koninkrijk van deze wereld ware, zo zouden Mijn dienaren gestreden hebben, opdat Ik den Joden niet ware overgeleverd; maar nu is Mijn Koninkrijk niet van hier.47)
37Pilatus dan zeide tot Hem: Zijt Gij dan48) een Koning? Jezus antwoordde: Gij zegt, dat49) Ik een Koning ben. Hiertoe ben Ik geboren en hiertoe ben Ik in de wereld gekomen, opdat Ik der waarheid getuigenis50) geven zou. Een iegelijk, die uit de waarheid51) is, hoort Mijn stem.52)
38Pilatus zeide tot Hem: Wat is waarheid?53) En als hij dat gezegd had, ging hij wederom uit tot de Joden,54) en zeide tot hen: Ik vind geen schuld in Hem.55)
39Doch gij hebt een gewoonte, dat ik u op het pascha een loslate. Wilt gij dan, dat ik u den Koning der Joden loslate?
40Zij dan riepen allen wederom, zeggende: Niet Dezen, maar Bar-abbas! En Bar-abbas was een moordenaar.56)