Home Introduction Persons Geogr. Sources Events Mijn blog(Nederlands)
Religion Subjects Images Queries Links Contact Do not fly Iberia
This is a non-commercial site. Any revenues from Google ads are used to improve the site.

Custom Search
Quote of the day: No man was less capable of bearing prosp
Notes
Display Vulgate text
Display Statenvertaling
The New Testament

Gospel of John Chapter 20.0
Next chapter
Return to index
Previous chapter
Resurrection of Jesus

1 The first day of the week cometh Mary Magdalene early, when it was yet dark, unto the sepulchre, and seeth the stone taken away from the sepulchre.
2 Then she runneth, and cometh to Simon Peter, and to the other [Note 1] disciple, whom Jesus loved, and saith unto them, They have taken away the LORD out of the sepulchre, and we know not where they have laid him.
3 Peter therefore went forth, and that other disciple, and came to the sepulchre.
4 So they ran both together: and the other disciple did outrun Peter, and came first to the sepulchre.
5 And he stooping down, and looking in, saw the linen clothes lying; yet went he not in.
6 Then cometh Simon Peter following him, and went into the sepulchre, and seeth the linen clothes lie,
7 And the napkin, that was about his head, not lying with the linen clothes, but wrapped together in a place by itself.
8 Then went in also that other disciple, which came first to the sepulchre, and he saw, and believed.
9 For as yet they knew not the scripture, that he must rise again from the dead.
10 Then the disciples went away again unto their own home.
11 But Mary stood without at the sepulchre weeping: and as she wept, she stooped down, and looked into the sepulchre,
12 And seeth two angels in white sitting, the one at the head, and the other at the feet, where the body of Jesus had lain.
13 And they say unto her, Woman, why weepest thou? She saith unto them, Because they have taken away my LORD, and I know not where they have laid him.
14 And when she had thus said, she turned herself back, and saw Jesus standing, and knew not that it was Jesus.
15 Jesus saith unto her, Woman, why weepest thou? whom seekest thou? She, supposing him to be the gardener, saith unto him, Sir, if thou have borne him hence, tell me where thou hast laid him, and I will take him away.
16 Jesus saith unto her, Mary. She turned herself, and saith unto him, Rabboni; which is to say, Master.
17 Jesus saith unto her, Touch me not; for I am not yet ascended to my Father: but go to my brethren, and say unto them, I ascend unto my Father, and your Father; and to my God, and your God.
18 Mary Magdalene came and told the disciples that she had seen the LORD, and that he had spoken these things unto her.

The appearance to the disciples

19 Then the same day at evening, being the first day of the week, when the doors were shut where the disciples were assembled for fear of the Jews, came Jesus and stood in the midst, and saith unto them, Peace be unto you.
20 And when he had so said, he shewed unto them his hands and his side. Then were the disciples glad, when they saw the LORD.
21 Then said Jesus to them again, Peace be unto you: as my Father hath sent me, even so send I you.
22 And when he had said this, he breathed on them, and saith unto them, Receive ye the Holy Ghost:
23 Whose soever sins ye remit, they are remitted unto them; and whose soever sins ye retain, they are retained.

The appearance to Thomas

24 But Thomas, one of the twelve, called Didymus, was not with them when Jesus came.
25 The other disciples therefore said unto him, We have seen the LORD. But he said unto them, Except I shall see in his hands the print of the nails, and put my finger into the print of the nails, and thrust my hand into his side, I will not believe.
26 And after eight days again his disciples were within, and Thomas with them: then came Jesus, the doors being shut, and stood in the midst, and said, Peace be unto you.
27 Then saith he to Thomas, Reach hither thy finger, and behold my hands; and reach hither thy hand, and thrust it into my side: and be not faithless, but believing.
28 And Thomas answered and said unto him, My LORD and my God.
29 Jesus saith unto him, Thomas, because thou hast seen me, thou hast believed: blessed are they that have not seen, and yet have believed.
30 And many other signs truly did Jesus in the presence of his disciples, which are not written in this book:
31 But these are written, that ye might believe that Jesus is the Christ, the son of God; and that believing ye might have life through his name.

Note 1: other = John

Events: Resurrection of Jesus, Appearance to Mary Magdalene, The appearance to the disciples, The appearance to Thomas / Doubting Thomas

Johannes 20

1En op den eersten1) dag der week ging Maria Magdalena2) vroeg, als het3) nog duister was, naar het graf; en zag den steen van het4) graf weggenomen.
2Zij liep dan, en kwam tot Simon Petrus en tot den anderen discipel, welken Jezus liefhad, en zeide tot hen: Zij hebben den Heere weggenomen uit5) het graf, en wij weten niet,6) waar zij Hem gelegd hebben.
3Petrus dan ging uit, en de andere discipel, en zij kwamen tot het graf.
4En deze twee liepen tegelijk; en de andere discipel liep vooruit, sneller dan Petrus,7) en kwam eerst tot het graf.
5En als hij nederbukte, zag hij de doeken liggen;8) nochtans ging hij er niet in.
6Simon Petrus dan kwam en volgde hem, en ging in het graf, en zag de doeken liggen.
7En den zweetdoek, die op Zijn hoofd geweest was,9) zag hij niet bij de doeken liggen, maar in het bijzonder in een andere plaats samengerold.
8Toen ging dan ook de andere discipel er in, die eerst tot het graf gekomen was, en zag het, en geloofde.10)
9Want zij wisten nog de11) Schrift niet, dat Hij van de doden moest opstaan.
10De discipelen dan gingen wederom naar huis.12)
11En Maria stond13) buiten bij het graf, wenende. Als zij dan weende, bukte zij in het graf;
12En zag twee engelen14) in witte klederen zitten, een aan het hoofd, en een15) aan de voeten, waar het lichaam van Jezus gelegen had.
13En die zeiden tot16) haar: Vrouw! wat weent gij? Zij zeide tot hen: Omdat zij17) mijn Heere18) weggenomen hebben, en ik weet niet, waar zij Hem gelegd hebben.
14En als zij dit gezegd had, keerde zij zich achterwaarts, en zag Jezus staan, en zij wist niet,19) dat het Jezus was.
15Jezus zeide tot haar: Vrouw, wat weent gij? Wien zoekt gij? Zij, menende, dat het de hovenier was, zeide tot Hem: Heere, zo gij Hem weg gedragen hebt, zeg mij, waar gij Hem gelegd hebt, en ik zal Hem wegnemen.20)
16Jezus zeide tot haar: Maria! Zij, zich omkerende, zeide21) tot Hem: Rabbouni,22) hetwelk is gezegd: Meester.
17Jezus zeide tot haar: Raak Mij niet23) aan, want Ik ben nog24) niet opgevaren tot Mijn Vader; maar ga heen tot Mijn broeders, en25) zeg hun: Ik vare op tot26) Mijn Vader en27) uw Vader, en28) tot Mijn God en29) uw God.30)
18Maria Magdalena ging en boodschapte den discipelen, dat zij den Heere gezien had, en dat Hij haar dit gezegd had.
19Als het dan avond was, op denzelven31) eersten dag der week, en als32) de deuren gesloten waren, waar de discipelen vergaderd waren om de vreze der Joden, kwam Jezus en33) stond in het midden, en zeide tot hen: Vrede zij ulieden!34)
20En dit gezegd hebbende, toonde Hij hun Zijn handen en Zijn35) zijde. De discipelen dan werden verblijd, als zij den Heere zagen.
21Jezus dan zeide wederom tot hen: Vrede zij ulieden, gelijkerwijs Mij de Vader gezonden heeft, zende Ik ook36) ulieden.
22En als Hij dit gezegd had, blies Hij op hen,37) en zeide tot hen: Ontvangt den Heiligen Geest.38)
23Zo gij iemands zonden vergeeft, dien39) worden zij vergeven; zo40) gij iemands zonden houdt, dien zijn zij gehouden.
24En Thomas, een van de twaalven, gezegd Didymus, was41) met hen niet, toen Jezus daar kwam.
25De andere discipelen dan zeiden tot hem: Wij hebben den Heere gezien. Doch hij zeide tot hen: Indien ik in Zijn handen42) niet zie het teken der43) nagelen, en mijn vinger steke in het teken der nagelen, en steke mijn hand in Zijn zijde, ik zal geenszins geloven.44)
26En na acht dagen waren Zijn discipelen wederom binnen, en Thomas met hen; en Jezus kwam, als de deuren gesloten waren, en stond in het midden, en zeide: Vrede zij ulieden!
27Daarna zeide Hij tot Thomas: Breng uw vinger hier, en zie Mijn handen, en breng uw hand, en steek ze in Mijn45) zijde; en zijt niet ongelovig, maar gelovig.
28En Thomas antwoordde en zeide tot Hem:46) Mijn Heere en mijn God!
29Jezus zeide tot hem: Omdat gij Mij gezien hebt, Thomas, zo hebt gij geloofd; zalig zijn zij,47) die niet zullen gezien hebben, en nochtans zullen geloofd hebben.
30Jezus dan heeft nog wel vele andere tekenen in de tegenwoordigheid Zijner discipelen gedaan, die niet zijn geschreven in dit boek;48)
31Maar deze zijn geschreven, opdat gij gelooft, dat Jezus is de Christus, de Zone Gods; en opdat gij, gelovende, het leven hebt49) in Zijn Naam.50)