Home Introduction Persons Geogr. Sources Events Mijn blog(Nederlands)
Religion Subjects Images Queries Links Contact Do not fly Iberia
This is a non-commercial site. Any revenues from Google ads are used to improve the site.

Custom Search
Quote of the day: He had discovered him to be fond of chan
Notes
Display Vulgate text
Display Statenvertaling
The New Testament

Gospel of John Chapter 21.0
Next chapter
Return to index
Previous chapter
The appearance at the sea of Tiberias

1 After these things Jesus shewed himself again to the disciples at the sea of Tiberias; and on this wise shewed he himself.
2 There were together Simon Peter, and Thomas called Didymus, and Nathanael of Cana in Galilee, and the sons of Zebedee, and two other of his disciples.
3 Simon Peter saith unto them, I go a fishing. They say unto him, We also go with thee. They went forth, and entered into a ship immediately; and that night they caught nothing.
4 But when the morning was now come, Jesus stood on the shore: but the disciples knew not that it was Jesus.
5 Then Jesus saith unto them, children, have ye any meat? They answered him, No.
6 And he said unto them, Cast the net on the right side of the ship, and ye shall find. They cast therefore, and now they were not able to draw it for the multitude of fishes.
7 Therefore that disciple [Note 1] whom Jesus loved saith unto Peter, It is the Lord. Now when Simon Peter heard that it was the Lord, he girt his fisher's coat unto him, (for he was naked,) and did cast himself into the sea.
8 And the other disciples came in a little ship; (for they were not far from land, but as it were two hundred cubits,) dragging the net with fishes.
9 As soon then as they were come to land, they saw a fire of coals there, and fish laid thereon, and bread.
10 Jesus saith unto them, Bring of the fish which ye have now caught.
11 Simon Peter went up, and drew the net to land full of great fishes, an hundred and fifty and three: and for all there were so many, yet was not the net broken.
12 Jesus saith unto them, Come and dine. And none of the disciples durst ask him, Who art thou? knowing that it was the Lord.
13 Jesus then cometh, and taketh bread, and giveth them, and fish likewise.
14 This is now the third time that Jesus shewed himself to his disciples, after that he was risen from the dead.

Restoration of Peter

15 So when they had dined, Jesus saith to Simon Peter, Simon, son of Jonas, lovest thou me more than these? He saith unto him, Yea, Lord; thou knowest that I love thee. He saith unto him, Feed my lambs.
16 He saith to him again the second time, Simon, son of Jonas, lovest thou me? He saith unto him, Yea, Lord; thou knowest that I love thee. He saith unto him, Feed my sheep.
17 He saith unto him the third time, Simon, son of Jonas, lovest thou me? Peter was grieved because he said unto him the third time, Lovest thou me? And he said unto him, Lord, thou knowest all things; thou knowest that I love thee. Jesus saith unto him, Feed my sheep.
18 Verily, verily, I say unto thee, When thou wast young, thou girdest thyself, and walkedst whither thou wouldest: but when thou shalt be old, thou shalt stretch forth thy hands, and another shall gird thee, and carry thee whither thou wouldest not.
19 This spake he, signifying by what death he should glorify God. And when he had spoken this, he saith unto him, Follow me.
20 Then Peter, turning about, seeth the disciple whom Jesus loved following; which also leaned on his breast at supper, and said, Lord, which is he that betrayeth thee?
21 Peter seeing him saith to Jesus, Lord, and what shall this man do?
22 Jesus saith unto him, If I will that he tarry till I come, what is that to thee? follow thou me.
23 Then went this saying abroad among the brethren, that that disciple should not die: yet Jesus said not unto him, He shall not die; but, If I will that he tarry till I come, what is that to thee?
24 This is the disciple which testifieth of these things, and wrote these things: and we know that his testimony is true.
25 And there are also many other things which Jesus did, the which, if they should be written every one, I suppose that even the world itself could not contain the books that should be written. Amen.

Note 1: disciple = John

Events: The appearance at the sea of Tiberias, Restoration of Peter

Johannes 21

1Na dezen openbaarde Jezus Zichzelven wederom den discipelen aan de zee van1) Tiberias. En Hij openbaarde Zich aldus:
2Er waren te zamen Simon Petrus, en Thomas, gezegd Didymus,2) en Nathanael,3) die van Kana in Galilea was, en de zonen van4) Zebedeus, en twee anderen van Zijn discipelen.5)
3Simon Petrus zeide tot hen: Ik ga vissen. Zij zeiden tot hem: Wij gaan ook met u. Zij gingen uit, en traden terstond6) in het schip; en in dien nacht vingen zij niets.
4En als het nu morgenstond geworden was, stond Jezus op den oever; doch de discipelen wisten niet,7) dat het Jezus was.
5Jezus dan zeide tot hen: Kinderkens, hebt gij niet enige toespijs?8) Zij antwoordden Hem: Neen.
6En Hij zeide tot hen: Werpt het net aan de rechterzijde9) van het schip, en gij zult vinden. Zij wierpen het dan, en konden hetzelve niet meer trekken vanwege de menigte der vissen.
7De discipel dan, welken Jezus liefhad, zeide10) tot Petrus: Het is de Heere! Simon Petrus dan, horende, dat het de Heere was, omgordde het opperkleed11) (want hij was naakt), en12) wierp zichzelven in de zee.
8En de andere discipelen kwamen met het scheepje (want zij waren niet verre van het land, maar omtrent tweehonderd ellen),13) slepende het14) net met de vissen.
9Als zij dan aan het land gegaan waren, zagen zij een kolenvuur liggen, en vis daarop15) liggen, en brood.
10Jezus zeide tot hen: Brengt van den vissen, die gij nu gevangen hebt.
11Simon Petrus ging op, en trok het net op het land, vol grote vissen, tot honderd drie en vijftig; en hoewel er zovele waren, zo scheurde16) het net niet.
12Jezus zeide tot hen: Komt herwaarts, houdt het middagmaal. En niemand van de discipelen durfde Hem17) vragen: Wie zijt Gij? wetende, dat het de Heere was.
13Jezus dan kwam, en nam het brood, en gaf het hun, en den vis desgelijks.
14Dit was nu de derde maal, dat Jezus Zijn discipelen18) geopenbaard is, nadat Hij van de doden opgewekt was.
15Toen zij dan het middagmaal gehouden hadden, zeide Jezus tot Simon Petrus: Simon, zoon van Jonas,19) hebt gij Mij20) liever dan dezen?21) Hij zeide tot Hem: Ja, Heere! Gij weet, dat22) ik U liefheb. Hij zeide tot hem: Weid Mijn lammeren.23)
16Hij zeide wederom tot hem ten tweeden maal: Simon, zoon van Jonas, hebt gij Mij lief? Hij zeide tot Hem: Ja, Heere, gij weet, dat ik U liefheb. Hij zeide tot hem: Hoed Mijn schapen.
17Hij zeide tot hem ten derden maal:24) Simon, zoon van Jonas, hebt gij Mij lief? Petrus werd bedroefd, omdat25) Hij ten derden maal tot hem zeide: Hebt gij Mij lief, en zeide tot Hem: Heere! Gij weet alle dingen, Gij weet, dat ik U liefheb. Jezus zeide tot hem: Weid Mijn schapen.26)
18Voorwaar, voorwaar, zeg Ik u: Toen gij jonger waart, gorddet gij27) uzelven, en wandeldet, alwaar gij wildet; maar wanneer gij zult oud geworden zijn, zo zult gij uw handen uitstrekken, en28) een ander zal29) u gorden, en brengen,30) waar gij niet wilt.31)
19En dit zeide Hij, betekenende, met hoedanigen dood hij God verheerlijken32) zou. En dit gesproken hebbende, zeide Hij tot hem: Volg Mij.
20En Petrus, zich omkerende, zag den discipel volgen, welken Jezus liefhad,33) die ook in het avondmaal op Zijn borst gevallen was, en gezegd had: Heere! wie is het, die U verraden zal?34)
21Als Petrus dezen zag, zeide hij tot Jezus: Heere, maar wat zal deze?35)
22Jezus zeide tot hem: Indien Ik wil, dat hij blijve, totdat36) Ik kome, wat gaat het u aan? Volg gij Mij.
23Dit woord dan ging uit onder de broederen, dat deze discipel niet zou sterven. En Jezus had tot hem niet gezegd, dat hij niet sterven zou, maar: Indien Ik wil, dat hij blijve, totdat Ik kome, wat gaat het u aan?
24Deze is de discipel, die37) van deze dingen getuigt, en deze dingen geschreven heeft; en wij weten, dat38) zijn getuigenis waarachtig is.
25En er zijn nog vele andere dingen, die39) Jezus gedaan heeft, welke, zo zij elk bijzonder40) geschreven wierden, ik acht, dat ook de wereld41) zelve de geschrevene boeken niet zou bevatten. Amen.