Home Introduction Persons Geogr. Sources Events Mijn blog(Nederlands)
Religion Subjects Images Queries Links Contact Do not fly Iberia
This is a non-commercial site. Any revenues from Google ads are used to improve the site.

Custom Search
Quote of the day: That officer's wife, urged by a perverse
Notes
Display Vulgate text
Display Statenvertaling
The New Testament

Gospel of Luke Chapter 10.0
Next chapter
Return to index
Previous chapter
Sending the Seventy

1 After these things the LORD appointed other seventy also, and sent them two and two before his face into every city and place, whither he himself would come.
2 Therefore said he unto them, The harvest truly is great, but the labourers are few: pray ye therefore the Lord of the harvest, that he would send forth labourers into his harvest.
3 Go your ways: behold, I send you forth as lambs among wolves.
4 Carry neither purse, nor scrip, nor shoes: and salute no man by the way.
5 And into whatsoever house ye enter, first say, Peace be to this house.
6 And if the son of peace be there, your peace shall rest upon it: if not, it shall turn to you again.
7 And in the same house remain, eating and drinking such things as they give: for the labourer is worthy of his hire. Go not from house to house.
8 And into whatsoever city ye enter, and they receive you, eat such things as are set before you:
9 And heal the sick that are therein, and say unto them, The kingdom of God is come nigh unto you.
10 But into whatsoever city ye enter, and they receive you not, go your ways out into the streets of the same, and say,
11 Even the very dust of your city, which cleaveth on us, we do wipe off against you: notwithstanding be ye sure of this, that the kingdom of God is come nigh unto you.
12 But I say unto you, that it shall be more tolerable in that day for Sodom, than for that city.
13 Woe unto thee, Chorazin! woe unto thee, Bethsaida! for if the mighty works had been done in Tyre and Sidon, which have been done in you, they had a great while ago repented, sitting in sackcloth and ashes.
14 But it shall be more tolerable for Tyre and Sidon at the judgment, than for you.
15 And thou, Capernaum, which art exalted to heaven, shalt be thrust down to hell.
16 He that heareth you heareth me; and he that despiseth you despiseth me; and he that despiseth me despiseth him that sent me.
17 And the seventy returned again with joy, saying, Lord, even the devils are subject unto us through thy name.
18 And he said unto them, I beheld Satan as lightning fall from heaven.
19 Behold, I give unto you power to tread on serpents and scorpions, and over all the power of the enemy: and nothing shall by any means hurt you.
20 Notwithstanding in this rejoice not, that the spirits are subject unto you; but rather rejoice, because your names are written in heaven.
21 In that hour Jesus rejoiced in spirit, and said, I thank thee, O Father, Lord of heaven and earth, that thou hast hid these things from the wise and prudent, and hast revealed them unto babes: even so, Father; for so it seemed good in thy sight.
22 All things are delivered to me of my Father: and no man knoweth who the Son is, but the Father; and who the Father is, but the Son, and he to whom the Son will reveal him.
23 And he turned him unto his disciples, and said privately, Blessed are the eyes which see the things that ye see:
24 For I tell you, that many prophets and kings have desired to see those things which ye see, and have not seen them; and to hear those things which ye hear, and have not heard them.

The parable of the good Samaritan

25 And, behold, a certain lawyer stood up, and tempted him, saying, Master, what shall I do to inherit eternal life?
26 He said unto him, What is written in the law? how readest thou?
27 And he answering said, Thou shalt love the Lord thy God with all thy heart, and with all thy soul, and with all thy strength, and with all thy mind; and thy neighbour as thyself.
28 And he said unto him, Thou hast answered right: this do, and thou shalt live.
29 But he, willing to justify himself, said unto Jesus, And who is my neighbour?
30 And Jesus answering said, A certain man went down from Jerusalem to Jericho, and fell among thieves, which stripped him of his raiment, and wounded him, and departed, leaving him half dead.
31 And by chance there came down a certain priest that way: and when he saw him, he passed by on the other side.
32 And likewise a Levite, when he was at the place, came and looked on him, and passed by on the other side.
33 But a certain Samaritan, as he journeyed, came where he was: and when he saw him, he had compassion on him,
34 And went to him, and bound up his wounds, pouring in oil and wine, and set him on his own beast, and brought him to an inn, and took care of him.
35 And on the morrow when he departed, he took out two pence, and gave them to the host, and said unto him, Take care of him; and whatsoever thou spendest more, when I come again, I will repay thee.
36 Which now of these three, thinkest thou, was neighbour unto him that fell among the thieves?
37 And he said, He that shewed mercy on him. Then said Jesus unto him, Go, and do thou likewise.

Mary and Martha

38 Now it came to pass, as they went, that he entered into a certain village: and a certain woman named Martha received him into her house.
39 And she had a sister called Mary, which also sat at Jesus' feet, and heard his word.
40 But Martha was cumbered about much serving, and came to him, and said, Lord, dost thou not care that my sister hath left me to serve alone? bid her therefore that she help me.
41 And Jesus answered and said unto her, Martha, Martha, thou art careful and troubled about many things:
42 But one thing is needful: and Mary hath chosen that good part, which shall not be taken away from her.

Events: Sending the Seventy, The parable of the good Samaritan, Mary and Martha

Lukas 10

1En na dezen stelde de Heere nog andere zeventig, en zond hen heen voor Zijn aangezicht, twee en twee, in iedere stad en plaats, daar Hij komen zou.
2Hij zeide dan tot hen: De oogst is wel groot, maar de arbeiders zijn weinige; daarom, bidt den Heere des oogstes, dat Hij arbeiders in Zijn oogst uitstote.
3Gaat henen; ziet, Ik zend u als lammeren in het midden der wolven.
4Draagt geen buidel, noch male, noch schoenen; en groet niemand op den weg.
5En in wat huis gij zult ingaan, zegt eerst: Vrede zij dezen huize!
6En indien aldaar een zoon des vredes is, zo zal uw vrede op hem rusten; maar indien niet, zo zal uw vrede tot u wederkeren.
7En blijft in datzelve huis, etende en drinkende, hetgeen van hen voorgezet wordt; want de arbeider is zijn loon waardig; gaat niet over van het ene huis in het andere huis.
8En in wat stad gij zult ingaan, en zij u ontvangen, eet hetgeen ulieden voorgezet wordt.
9En geneest de kranken, die daarin zijn, en zegt tot hen: Het Koninkrijk Gods is nabij u gekomen.
10Maar in wat stad gij zult ingaan, en zij u niet ontvangen, uitgaande op haar straten, zo zegt:
11Ook het stof, dat uit uw stad aan ons kleeft, schudden wij af op ulieden; nochtans zo weet dit, dat het Koninkrijk Gods nabij u gekomen is.
12En Ik zeg u, dat het dien van Sodom verdragelijker wezen zal in dien dag, dan dezelve stad.
13Wee u, Chorazin, wee u, Bethsaida, want zo in Tyrus en Sidon de krachten geschied waren, die in u geschied zijn, zij zouden eertijds, in zak en as zittende, zich bekeerd hebben.
14Doch het zal Tyrus en Sidon verdragelijker zijn in het oordeel, dan ulieden.
15En gij, Kapernaum, die tot den hemel toe verhoogd zijt, gij zult tot de hel toe nedergestoten worden.
16Wie u hoort, die hoort Mij; en wie u verwerpt, die verwerpt Mij; en wie Mij verwerpt, die verwerpt Dengene, Die Mij gezonden heeft.
17En de zeventigen zijn wedergekeerd met blijdschap, zeggende: Heere, ook de duivelen zijn ons onderworpen, in Uw Naam.
18En Hij zeide tot hen: Ik zag den satan, als een bliksem, uit den hemel vallen.
19Ziet, Ik geve u de macht, om op slangen en schorpioenen te treden, en over alle kracht des vijands; en geen ding zal u enigszins beschadigen.
20Doch verblijdt u daarin niet, dat de geesten u onderworpen zijn; maar verblijdt u veel meer, dat uw namen geschreven zijn in de hemelen.
21Te dier ure verheugde Zich Jezus in den geest, en zeide: Ik dank U, Vader! Heere des hemels en der aarde; dat Gij deze dingen voor de wijzen en verstandigen verborgen hebt, en hebt dezelve den kinderkens geopenbaard; ja, Vader, want alzo is geweest het welbehagen voor U.
22Alle dingen zijn Mij van Mijn Vader overgegeven; en niemand weet, wie de Zoon is, dan de Vader; en wie de Vader is, dan de Zoon, en dien het de Zoon zal willen openbaren.
23En Zich kerende naar de discipelen, zeide Hij tot hen alleen: Zalig zijn de ogen, die zien, hetgeen gij ziet.
24Want Ik zeg u, dat vele profeten en koningen hebben begeerd te zien, hetgeen gij ziet, en hebben het niet gezien; en te horen, hetgeen gij hoort, en hebben het niet gehoord.
25En ziet, een zeker wetgeleerde stond op, Hem verzoekende, en zeggende: Meester, wat doende zal ik het eeuwige leven beerven?
26En Hij zeide tot hem: Wat is in de wet geschreven? Hoe leest gij?
27En hij, antwoordende, zeide: Gij zult den Heere, uw God, liefhebben, uit geheel uw hart, en uit geheel uw ziel, en uit geheel uw kracht, en uit geheel uw verstand; en uw naaste als uzelven.
28En Hij zeide tot hem: Gij hebt recht geantwoord; doe dat, en gij zult leven.
29Maar hij, willende zichzelven rechtvaardigen, zeide tot Jezus: En wie is mijn naaste?
30En Jezus, antwoordende, zeide: Een zeker mens kwam af van Jeruzalem naar Jericho, en viel onder de moordenaars, welke, hem ook uitgetogen, en daartoe zware slagen gegeven hebbende, heengingen, en lieten hem half dood liggen.
31En bij geval1) kwam een zeker priester denzelven weg af, en hem ziende, ging hij tegenover hem voorbij.
32En desgelijks ook een Leviet, als hij was bij die plaats, kwam hij, en zag hem, en ging tegenover hem voorbij.
33Maar een zeker Samaritaan,2) reizende, kwam omtrent hem, en hem ziende, werd hij met innerlijke ontferming bewogen.
34En hij, tot hem gaande, verbond zijn wonden, gietende daarin olie en wijn; en hem heffende op zijn eigen beest, voerde hem in de herberg en verzorgde hem.
35En des anderen daags weggaande, langde hij twee penningen uit,3) en gaf ze den waard, en zeide tot hem: Draag zorg voor hem: en zo wat gij meer aan hem ten koste zult leggen, dat zal ik u wedergeven, als ik wederkom.
36Wie dan van deze drie dunkt u de naaste geweest te zijn desgenen,4) die onder de moordenaars gevallen was?
37En hij zeide: Die barmhartigheid aan hem gedaan heeft. Zo zeide dan Jezus tot hem: Ga heen, en doe gij desgelijks.
38En het geschiedde, als zij reisden, dat Hij kwam in een vlek;5) en een zekere vrouw, met name Martha, ontving Hem in haar huis.
39En deze had een zuster, genaamd Maria, welke ook, zittende6) aan de voeten van Jezus, Zijn woord hoorde.
40Doch Martha was zeer bezig met veel dienens,7) en daarbij komende, zeide zij: Heere, trekt Gij U dat niet aan, dat mijn zuster mij alleen laat dienen? Zeg dan haar, dat zij mij helpe.8)
41En Jezus, antwoordende, zeide tot haar: Martha, Martha, gij bekommert en ontrust u over vele dingen;
42Maar een ding is nodig;9) doch Maria heeft het goede deel uitgekozen, hetwelk van haar niet zal weggenomen worden.