Home Introduction Persons Geogr. Sources Events Mijn blog(Nederlands)
Religion Subjects Images Queries Links Contact Do not fly Iberia
This is a non-commercial site. Any revenues from Google ads are used to improve the site.

Custom Search
Quote of the day: He flogged to death every tenth man draw
Notes
Display Vulgate text
Display Statenvertaling
The New Testament

Gospel of Matthew Chapter 5.0
Next chapter
Return to index
Previous chapter
Sermon of the Mount

1 And seeing the multitudes, he [Note 1] went up into a mountain: and when he was set, his disciples came unto him:
2 And he opened his mouth, and taught them, saying,
3 Blessed are the poor in spirit: for theirs is the kingdom of Heaven.
4 Blessed are they that mourn: for they shall be comforted.
5 Blessed are the meek: for they shall inherit the earth.
6 Blessed are they which do hunger and thirst after righteousness: for they shall be filled.
7 Blessed are the merciful: for they shall obtain mercy.
8 Blessed are the pure in heart: for they shall see God.
9 Blessed are the peacemakers: for they shall be called the children of God.
10 Blessed are they which are persecuted for righteousness' sake: for theirs is the kingdom of heaven.
11 Blessed are ye, when men shall revile you, and persecute you, and shall say all manner of evil against you falsely, for my sake.
12 Rejoice, and be exceeding glad: for great is your reward in heaven: for so persecuted they the prophets which were before you.
See also Luke 6:20-23
13 Ye are the salt of the earth: but if the salt have lost his savour, wherewith shall it be salted? it is thenceforth good for nothing, but to be cast out, and to be trodden under foot of men.
14 Ye are the light of the world. A city that is set on an hill cannot be hid.
15 Neither do men light a candle, and put it under a bushel, but on a candlestick; and it giveth light unto all that are in the house.
16 Let your light so shine before men, that they may see your good works, and glorify your Father which is in heaven.

17 Think not that I am come to destroy the law, or the prophets: I am not come to destroy, but to fulfil.
18 For verily I say unto you, Till heaven and earth pass, one jot or one tittle shall in no wise pass from the law, till all be fulfilled.
19 Whosoever therefore shall break one of these least commandments, and shall teach men so, he shall be called the least in the kingdom of heaven: but whosoever shall do and teach them, the same shall be called great in the kingdom of heaven.
20 For I say unto you, That except your righteousness shall exceed the righteousness of the scribes and Pharisees, ye shall in no case enter into the kingdom of heaven.
21 Ye have heard that it was said of them of old time, Thou shalt not kill; and whosoever shall kill shall be in danger of the judgment:
22 But I say unto you, That whosoever is angry with his brother without a cause shall be in danger of the judgment: and whosoever shall say to his brother, Raca, shall be in danger of the council: but whosoever shall say, Thou fool, shall be in danger of hell fire.
23 Therefore if thou bring thy gift to the altar, and there rememberest that thy brother hath ought against thee;
24 Leave there thy gift before the altar, and go thy way; first be reconciled to thy brother, and then come and offer thy gift.
25 Agree with thine adversary quickly, whiles thou art in the way with him; lest at any time the adversary deliver thee to the judge, and the judge deliver thee to the officer, and thou be cast into prison.
26 Verily I say unto thee, Thou shalt by no means come out thence, till thou hast paid the uttermost farthing.
27 Ye have heard that it was said by them of old time, Thou shalt not commit adultery:
28 But I say unto you, That whosoever looketh on a woman to lust after her hath committed adultery with her already in his heart.
29 And if thy right eye offend thee, pluck it out, and cast it from thee: for it is profitable for thee that one of thy members should perish, and not that thy whole body should be cast into hell.
30 And if thy right hand offend thee, cut it off, and cast it from thee: for it is profitable for thee that one of thy members should perish, and not that thy whole body should be cast into hell.
31 It hath been said, Whosoever shall put away his wife, let him give her a writing of divorcement:
32 But I say unto you, That whosoever shall put away his wife, saving for the cause of fornication, causeth her to commit adultery: and whosoever shall marry her that is divorced committeth adultery.
33 Again, ye have heard that it hath been said by them of old time, Thou shalt not forswear thyself, but shalt perform unto the Lord thine oaths
34 But I say unto you, Swear not at all; neither by heaven; for it is God's throne:
35 Nor by the earth; for it is his footstool: neither by Jerusalem; for it is the city of the great king.
36 Neither shalt thou swear by thy head, because thou canst not make one hair white or black.
37 But let your communication be, Yea, yea; Nay, nay: for whatsoever is more than these cometh of evil.
38 Ye have heard that it hath been said, An eye for an eye, and a tooth for a tooth:
39 But I say unto you, That ye resist not evil: but whosoever shall smite thee on thy right cheek, turn to him the other also.
40 And if any man will sue thee at the law, and take away thy coat, let him have thy cloak also.
41 And whosoever shall compel thee to go a mile, go with him twain.
42 Give to him that asketh thee, and from him that would borrow of thee turn not thou away.
43 Ye have heard that it hath been said, Thou shalt love thy neighbour, and hate thine enemy.
44 But I say unto you, Love your enemies, bless them that curse you, do good to them that hate you, and pray for them which despitefully use you, and persecute you;
45 That ye may be the children of your Father which is in heaven: for he maketh his sun to rise on the evil and on the good, and sendeth rain on the just and on the unjust.
46 For if ye love them which love you, what reward have ye? do not even the publicans he same?
47 And if ye salute your brethren only, what do ye more than others? do not even the publicans so?
48 Be ye therefore perfect, even as your Father which is in heaven is perfect.

Note 1: he = Jesus

Event: Sermon of the Mount

Matthëus 5

1En Jezus, de schare ziende, is geklommen op een berg, en als Hij nedergezeten was, kwamen Zijn discipelen tot Hem.
2En Zijn mond geopend hebbende, leerde Hij hen, zeggende:
3Zalig zijn de armen van geest; want hunner is het Koninkrijk der hemelen.
4Zalig zijn die treuren; want zij zullen vertroost worden.
5Zalig zijn de zachtmoedigen; want zij zullen het aardrijk beerven.
6Zalig zijn die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid; want zij zullen verzadigd worden.
7Zalig zijn de barmhartigen; want hun zal barmhartigheid geschieden.
8Zalig zijn de reinen van hart; want zij zullen God zien.
9Zalig zijn de vreedzamen; want zij zullen Gods kinderen genaamd worden.
10Zalig zijn die vervolgd worden om der gerechtigheid wil;1) want hunner is het Koninkrijk der hemelen.
11Zalig zijt gij, als u de mensen smaden, en vervolgen, en liegende alle2) kwaad3) tegen u spreken4), om Mijnentwil.
12Verblijdt en verheugt u; want uw loon is5) groot in de hemelen;6) want alzo hebben zij vervolgd de profeten, die voor u geweest zijn.7)
13Gij zijt het zout der aarde;8) indien nu het zout smakeloos wordt,9) waarmede zal het gezouten worden? Het deugt nergens meer toe, dan om buiten geworpen, en van de mensen vertreden te worden.
14Gij zijt het licht der wereld;10) een stad boven op een berg liggende, kan niet verborgen zijn.
15Noch steekt men een kaars aan, en zet die onder een koornmaat,11) maar op een kandelaar, en zij schijnt allen, die in het huis zijn;
16Laat uw licht alzo schijnen voor de mensen, dat zij uw goede werken mogen zien, en uw Vader, Die in de hemelen is, verheerlijken.12)
17Meent niet, dat Ik gekomen ben, om de wet of de profeten te ontbinden;13) Ik ben niet gekomen, om die te ontbinden, maar te vervullen.14)
18Want voorwaar zeg Ik u: Totdat de hemel en de aarde voorbijgaan,15) zal er niet een jota16) noch een tittel17) van de wet voorbijgaan, totdat het alles zal zijn geschied.
19Zo wie dan een van deze minste geboden zal ontbonden, en de mensen alzo zal geleerd hebben, die zal de minste genaamd worden18) in het Koninkrijk der hemelen; maar zo wie dezelve zal gedaan en geleerd hebben, die zal groot genaamd worden in het Koninkrijk der hemelen.
20Want Ik zeg u: Tenzij uw gerechtigheid overvloediger zij, dan der Schriftgeleerden en der Farizeen, dat gij in het Koninkrijk der hemelen geenszins zult ingaan.
21Gij hebt gehoord, dat tot de ouden gezegd is:19) Gij zult niet doden; maar zo wie doodt, die zal strafbaar zijn door het gericht.20)
22Doch Ik zeg u: Zo wie te onrecht21) op zijn broeder toornig is, die zal strafbaar zijn door het gericht;22) en wie tot zijn broeder zegt: Raka!23) die zal strafbaar zijn door den groten raad;24) maar wie zegt: Gij dwaas! die zal strafbaar zijn door het helse vuur.25)
23Zo gij dan uw gave zult op het altaar offeren,26) en aldaar gedachtig wordt, dat uw broeder iets tegen u heeft;
24Laat daar uw gave voor het altaar, en gaat heen, verzoent u eerst met uw broeder, en komt dan en offert uw gave.
25Weest haastelijk welgezind jegens27) uw wederpartij, terwijl gij nog met hem op den weg zijt; opdat de wederpartij niet misschien u den rechter overlevere, en de rechter u den dienaar overlevere, en gij in de gevangenis geworpen wordt.
26Voorwaar, Ik zeg u: Gij zult daar geenszins uitkomen, totdat gij den laatsten penning zult betaald hebben.28)
27Gij hebt gehoord, dat van de ouden gezegd is: Gij zult geen overspel doen.
28Maar Ik zeg u, dat zo wie een vrouw aan ziet, om dezelve te begeren,29) die heeft alrede overspel in zijn hart met haar gedaan.
29Indien dan uw rechteroog30) u ergert,31) trekt het uit32), en werpt het van u; want het is u nut, dat een uwer leden verga, en niet uw gehele lichaam in de hel geworpen worde.
30En indien uw rechterhand u ergert, houwt ze af, en werpt ze van u; want het is u nut, dat een uwer leden verga, en niet uw gehele lichaam in de hel geworpen worde.
31Er is ook gezegd: Zo wie zijn vrouw verlaten zal,33) die geve haar een scheidbrief.34)
32Maar Ik zeg u, dat zo wie zijn vrouw verlaten zal, anders dan uit oorzaak van hoererij, die maakt, dat zij overspel doet; en zo wie de verlatene zal trouwen, die doet overspel.
33Wederom hebt gij gehoord, dat van de ouden gezegd is: Gij zult den eed niet breken,35) maar gij zult den Heere uw eden houden.36)
34Maar Ik zeg u: Zweert ganselijk niet,37) noch bij den hemel, omdat hij is de troon Gods;
35Noch bij de aarde, omdat zij is de voetbank Zijner voeten; noch bij Jeruzalem, omdat zij is de stad des groten Konings;
36Noch bij uw hoofd zult gij zweren, omdat gij niet een haar kunt wit of zwart maken;
37Maar laat zijn uw woord ja, ja; neen, neen;38) wat boven deze is,39) dat is uit den boze.
38Gij hebt gehoord, dat gezegd is: Oog om oog, en tand om tand.40)
39Maar Ik zeg u, dat gij den boze niet wederstaat; maar, zo wie u op de rechterwang slaat, keert hem ook de andere toe;41)
40En zo iemand met u rechten wil, en uw rok nemen, laat hem ook den mantel;
41En zo wie u zal dwingen een mijl te gaan,42) gaat met hem twee mijlen.
42Geeft dengene, die iets van u bidt,43) en keert u niet af van dengene, die van u lenen wil.
43Gij hebt gehoord, dat er gezegd is: Gij zult uw naaste liefhebben, en uw vijand zult gij haten.44)
44Maar Ik zeg u: Hebt uw vijanden lief; zegent ze, die u vervloeken; doet wel dengenen, die u haten; en bidt voor degenen, die u geweld doen45), en die u vervolgen;
45Opdat gij moogt kinderen zijn uws Vaders,46) Die in de hemelen is; want Hij doet Zijn zon opgaan over bozen en goeden, en regent over rechtvaardigen en onrechtvaardigen.
46Want indien gij liefhebt, die u liefhebben,47) wat loon hebt gij? Doen ook de tollenaars niet hetzelfde?
47En indien gij uw broeders alleen groet,48) wat doet gij boven anderen? Doen ook niet de tollenaars alzo?
48Weest dan gijlieden volmaakt, gelijk uw Vader, Die in de hemelen is, volmaakt is.