Home Introduction Persons Geogr. Sources Events Mijn blog(Nederlands)
Religion Subjects Images Queries Links Contact Do not fly Iberia
This is a non-commercial site. Any revenues from Google ads are used to improve the site.

Custom Search
Quote of the day: Poppaea died from a casual outburst of r
Notes
Display Vulgate text
Display Statenvertaling
The New Testament

Revelations Chapter 1
Next chapter
Return to index
Previous chapter
1 The Revelation of Jesus Christ, which God gave unto him, to shew unto his servants things which must shortly come to pass; and he sent and signified it by his angel unto his servant John:
2 Who bare record of the word of God, and of the testimony of Jesus Christ, and of all things that he saw.
3 Blessed is he that readeth, and they that hear the words of this prophecy, and keep those things which are written therein: for the time is at hand.
4 John to the seven Churches which are in Asia: Grace be unto you, and peace, from him which is, and which was, and which is to come; and from the seven Spirits which are before his throne;
5 And from Jesus Christ, who is the faithful witness, and the first begotten of the dead, and the prince of the kings of the earth. Unto him that loved us, and washed us from our sins in his own blood,
6 And hath made us kings and priests unto God and his Father; to him be glory and dominion for ever and ever. Amen.
7 Behold, he cometh with clouds; and every eye shall see him, and they also which pierced him: and all kindreds of the earth shall wail because of him. Even so, Amen.
8 I am Alpha and Omega, the beginning and the ending, saith the Lord, which is, and which was, and which is to come, the Almighty.
9 I John, who also am your brother, and companion in tribulation, and in the kingdom and patience of Jesus Christ, was in the isle that is called Patmos, for the word of God, and for the testimony of Jesus Christ.
10 I was in the Spirit on the Lord's day, and heard behind me a great voice, as of a trumpet,
11 Saying, I am Alpha and Omega, the first and the last: and, What thou seest, write in a book, and send it unto the seven Churches which are in Asia; unto Ephesus, and unto Smyrna, and unto Pergamos, and unto Thyatira, and unto Sardis, and unto Philadelphia, and unto Laodicea.
12 And I turned to see the voice that spake with me. And being turned, I saw seven golden candlesticks;
13 And in the midst of the seven candlesticks one like unto the Son of Man, clothed with a garment down to the foot, and girt about the paps with a golden girdle.
14 His head and his hairs were white like wool, as white as snow; and his eyes were as a flame of fire;
15 And his feet like unto fine brass, as if they burned in a furnace; and his voice as the sound of many waters.
16 And he had in his right hand seven stars: and out of his mouth went a sharp twoedged sword: and his countenance was as the sun shineth in his strength.
17 And when I saw him, I fell at his feet as dead. And he laid his right hand upon me, saying unto me, Fear not; I am the first and the last:
18 I am he that liveth, and was dead; and, behold, I am alive for evermore, Amen; and have the keys of hell and of death.
19 Write the things which thou hast seen, and the things which are, and the things which shall be hereafter;
20 The mystery of the seven stars which thou sawest in my right hand, and the seven golden candlesticks. The seven stars are the angels of the seven Churches: and the seven candlesticks which thou sawest are the seven Churches.

Openbaring 1

1De openbaring1) van Jezus Christus, die God2) hem3) gegeven heeft, om Zijn dienstknechten te tonen4) de dingen5), die haast geschieden moeten; en die Hij door Zijn engel gezonden, en Zijn dienstknecht Johannes te kennen gegeven heeft;
2Dewelke6) het woord7) Gods betuigd heeft, en de getuigenis8) van Jezus Christus, en al wat hij gezien heeft.
3Zalig is hij, die leest, en zijn zij, die horen de woorden dezer profetie, en die bewaren, hetgeen in dezelve geschreven is; want de tijd9) is nabij.
4Johannes aan de10) zeven Gemeenten, die in11) Azie zijn: genade zij u en vrede van Hem12), Die is, en Die was, en Die komen zal; en van de zeven13) geesten, die voor Zijn troon zijn;
5En van Jezus Christus, Die de getrouwe14) Getuige is, de Eerstgeborene uit de doden, en de Overste der koningen der aarde. Hem, Die ons heeft liefgehad, en ons van onze zonden gewassen heeft in Zijn15) bloed.
6En Die ons gemaakt heeft tot koningen16) en priesters Gode en Zijn Vader; Hem, zeg ik, zij de heerlijkheid en de kracht in alle eeuwigheid. Amen.
7Ziet, Hij komt met17) de wolken en alle oog18) zal Hem zien, ook degenen, die Hem doorstoken19) hebben; en alle geslachten20) der aarde zullen over Hem rouw bedrijven;21) ja,22) amen.
8Ik ben de Alfa23) en de Omega, het Begin24) en het Einde, zegt de Heere,25) Die is, en Die was, en Die komen zal, de Almachtige.
9Ik26), Johannes, die ook uw broeder ben, en medegenoot in de verdrukking, en in het Koninkrijk, en in de lijdzaamheid van Jezus Christus, was op het eiland, genaamd Patmos,27) om het Woord Gods, en om de getuigenis van Jezus Christus.
10En ik was in den28) geest op den dag29) des Heeren; en ik hoorde achter mij een grote stem, als van een bazuin,
11Zeggende: Ik ben de Alfa en de Omega, de Eerste en de Laatste; en hetgeen gij ziet, schrijf dat in een boek,32) en zend het aan de zeven Gemeenten, die in Azie zijn, namelijk naar Efeze,33) en naar Smyrna, en naar Pergamus, en naar Thyatire, en naar Sardis, en naar Filadelfia, en naar Laodicea.
12En ik keerde mij om, om te zien de stem34), die met mij gesproken had; en mij omgekeerd hebbende, zag ik zeven35) gouden kandelaren;
13En in het midden van de zeven kandelaren Een, den Zoon36) des mensen gelijk zijnde, bekleed met een lang37) kleed tot de voeten, en omgord38) aan de borsten met een gouden gordel;
14En Zijn hoofd en haar was wit39), gelijk als witte wol, gelijk sneeuw; en Zijn ogen40) gelijk een vlam vuurs;
15En Zijn voeten waren blinkend koper gelijk, en gloeiden als in een oven; en Zijn stem als een stem van vele wateren.
16En Hij had zeven43) sterren in Zijn44) rechterhand; en uit Zijn mond ging een tweesnijdend45) scherp zwaard; en Zijn aangezicht was, gelijk de46) zon schijnt in haar kracht.
17En toen ik Hem zag, viel ik47) als dood aan Zijn voeten; en Hij legde Zijn rechterhand op mij, zeggende tot mij: Vrees niet; Ik ben de48) Eerste en de Laatste;
18En Die leef,49) en Ik ben dood geweest; en zie, Ik ben levend in alle eeuwigheid. Amen. En Ik heb de sleutels50) der hel en des doods.
19Schrijf, hetgeen gij51) gezien hebt, en hetgeen is,52) en hetgeen geschieden53) zal na dezen:
20De verborgenheid der zeven sterren, die gij gezien hebt in Mijn rechter hand, en de zeven gouden kandelaren. De zeven sterren zijn54) de engelen55) der zeven Gemeenten; en de zeven kandelaren, die gij gezien hebt, zijn de zeven Gemeenten.