Home Introduction Persons Geogr. Sources Events Mijn blog(Nederlands)
Religion Subjects Images Queries Links Contact Do not fly Iberia
This is a non-commercial site. Any revenues from Google ads are used to improve the site.

Custom Search
Quote of the day: At the same moment he embraced the young
Notes
Display Vulgate text
Display Statenvertaling
The New Testament

Revelations Chapter 16
Next chapter
Return to index
Previous chapter
1 And I [Note 1] heard a great voice out of the temple saying to the seven angels, Go your ways, and pour out the vials of the wrath of God upon the earth.
2 And the first went, and poured out his vial upon the earth; and there fell a noisome and grievous sore upon the men which had the mark of the beast [Note 2], and upon them which worshipped his image.
3 And the second angel poured out his vial upon the sea; and it became as the blood of a dead man: and every living soul died in the sea.
4 And the third angel poured out his vial upon the rivers and fountains of waters; and they became blood.
5 And I heard the angel of the waters say, Thou art righteous, O Lord, which art, and wast, and shalt be, because thou hast judged thus.
6 For they have shed the blood of saints and prophets, and thou hast given them blood to drink; for they are worthy.
7 And I heard another out of the altar say, Even so, Lord God Almighty, true and righteous are thy judgments.
8 And the fourth angel poured out his vial upon the sun; and power was given unto him to scorch men with fire.
9 And men were scorched with great heat, and blasphemed the name of God, which hath power over these plagues: and they repented not to give him glory.
10 And the fifth angel poured out his vial upon the seat of the beast; and his kingdom was full of darkness; and they gnawed their tongues for pain,
11 And blasphemed the God of heaven because of their pains and their sores, and repented not of their deeds.
12 And the sixth angel poured out his vial upon the great river Euphrates; and the water thereof was dried up, that the way of the kings of the east might be prepared.
13 And I saw three unclean spirits like frogs come out of the mouth of the dragon, and out of the mouth of the beast, and out of the mouth of the false prophet.
14 For they are the spirits of devils, working miracles, which go forth unto the kings of the earth and of the whole world, to gather them to the Battle of that great day of God Almighty.
15 Behold, I come as a thief. Blessed is he that watcheth, and keepeth his garments, lest he walk naked, and they see his shame.
16 And he gathered them together into a place called in the Hebrew tongue Armageddon.
17 And the seventh angel poured out his vial into the air; and there came a great voice out of the temple of heaven, from the throne, saying, It is done.
18 And there were voices, and thunders, and lightnings; and there was a great earthquake, such as was not since men were upon the earth, so mighty an earthquake, and so great.
19 And the great city was divided into three parts, and the cities of the nations fell: and great Babylon came in remembrance before God, to give unto her the cup of the wine of the fierceness of his wrath.
20 And every island fled away, and the mountains were not found.
21 And there fell upon men a great hail out of heaven, every stone about the weight of a talent: and men blasphemed God because of the plague of the hail; for the plague thereof was exceeding great.

Note 1: I = John
Note 2: beast = Devil

Openbaring 16

1En ik hoorde een grote stem uit den tempel,1) zeggende tot de zeven engelen: Gaat henen, en giet de zeven fiolen van den toorn Gods uit op de aarde.2)
2En de eerste ging3) henen, en goot zijn fiool4) uit op de aarde;5) en er werd een kwaad en boos gezweer aan de mensen, die het merkteken van6) het beest hadden, en die zijn beeld aanbaden.
3En de tweede engel goot zijn fiool uit in de zee,7) en zij werd bloed als van een dode; en alle levende ziel is gestorven in de zee.
4En de derde engel goot zijn fiool uit in de rivieren8) en in de fonteinen der wateren; en de wateren werden bloed.
5En ik hoorde den engel der9) wateren zeggen: Gij zijt rechtvaardig, Heere! Die is, en Die was, en Die zijn zal,10) dat Gij dit geoordeeld hebt;
6Dewijl zij het bloed der heiligen, en der profeten vergoten hebben, zo hebt Gij11) hun ook bloed te drinken gegeven; want zij zijn het waardig.
7En ik hoorde een anderen van het altaar zeggen: Ja, Heere, Gij almachtige God! Uwe oordelen zijn waarachtig en rechtvaardig.
8En de vierde12) engel goot zijn fiool uit op de zon; en haar is macht gegeven de mensen te verhitten door vuur.
9En de mensen werden verhit met grote hitte, en lasterden den Naam Gods, Die macht heeft over deze plagen; en zij bekeerden zich niet, om Hem heerlijkheid13) te geven.
10En de vijfde engel goot zijn fiool uit op den troon14) van het beest; en zijn rijk is verduisterd geworden; en zij kauwden hun15) tongen van pijn;
11En zij lasterden den God des hemels vanwege hun pijnen, en vanwege hun gezweren; en zij bekeerden zich niet van hun werken.16)
12En de zesde engel goot zijn fiool uit op de grote17) rivier, den Eufraat; en zijn water is uitgedroogd, opdat bereid zou worden de weg der koningen, die van den opgang der zon komen zullen.
13En ik zag uit den mond des draaks, en uit den mond van het beest, en uit den mond des valsen18) profeets, drie onreine geesten19) gaan, den vorsen gelijk;20)
14Want het zijn geesten der duivelen, en zij doen tekenen, welke uitgaan tot de koningen21) der aarde en der gehele wereld,22) om die te vergaderen23) tot den krijg van dien groten dag24) des almachtigen Gods.
15Zie, Ik kom als een dief. Zalig is hij, die waakt en zijn klederen bewaart, opdat hij niet naakt wandele, en men zijn schaamte26) niet zie.
16En zij hebben hen vergaderd in de plaats, welke in het Hebreeuws genaamd wordt Armageddon.27)
17En de zevende engel goot zijn fiool28) uit in de lucht; en er kwam een grote stem uit den tempel des hemels, van den troon, zeggende: Het is geschied!29)
18En er geschiedden stemmen,30) en donderslagen, en bliksemen; en er geschiedde een grote aardbeving, hoedanige niet is geschied van dat de mensen op de aarde geweest zijn, namelijk een zodanige aardbeving en zo groot.
19En de grote31) stad is in drie32) delen gescheurd, en de steden der heidenen33) zijn gevallen; en het grote Babylon is gedacht geworden34) voor God, om haar te geven den drinkbeker van35) den wijn des toorns Zijner gramschap.
20En alle eiland36) is gevloden, en de bergen zijn niet gevonden.
21En een grote hagel,37) elk als een talent pond zwaar, viel neder uit den hemel op de mensen; en de mensen lasterden God38) vanwege de plage des hagels; want deszelfs plage was zeer groot.